ECLI:NL:HR:2009:BJ8686
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in poging doodslag zaak
Op 4 januari 2007 vond een schietincident plaats waarbij verdachte met zijn dienstwapen meerdere schoten loste richting het slachtoffer en diens familie bij de woning van het slachtoffer. Diverse getuigen verklaarden dat verdachte agressief was en het vuurwapen richtte op meerdere personen. Het slachtoffer stond volgens verklaringen deels achter de deur toen er werd geschoten.
De verdediging stelde dat het slachtoffer niet achter de deur stond op het moment van het schot, waardoor er geen aanmerkelijke kans was dat iemand geraakt werd en dat er dus geen sprake kon zijn van voorwaardelijk opzet op doodslag. Het hof verwierp dit verweer en achtte bewezen dat verdachte met opzet een poging tot doodslag pleegde.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof vrij was om de verklaringen van getuigen te waarderen en de argumenten van de verdediging terzijde te stellen zonder nadere motivering, conform art. 359 lid 2 Sv Pro. Wel constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf tot vier jaar en vijf maanden.
De overige middelen van cassatie werden verworpen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 1 december 2009.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot vier jaar en vijf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep werd verder verworpen.