Conclusie
3.Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring.
NJ2009/541.).”
13.Het eerste middel faalt.
tweede middelklaagt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, omdat de inzendingstermijn is overschreden.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens smaad, omdat hij posters ophing met de tekst dat een postbezorger van Sandd B.V. een postdief zou zijn. Deze uiting werd aangemerkt als een telastlegging van een bepaald feit in de zin van artikel 261 Sr Pro. De verdachte voerde in cassatie aan dat de uiting geen concreet feit bevatte, maar slechts een eigenschap, en dat de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd was.
De Hoge Raad oordeelde dat de uiting wel degelijk een concreet feit inhoudt, namelijk het stelen van post door de postbezorger, en dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat sprake is van een telastlegging van een bepaald feit. De uiting wekt immers de suggestie van een strafbaar gedrag, namelijk het stelen van post in de uitoefening van haar werkzaamheden.
Daarnaast werd het middel dat klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn verworpen, omdat de opgelegde straf een geheel voorwaardelijke geldboete betrof en de termijnoverschrijding geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. De conclusie van de Procureur-Generaal was om het cassatieberoep te verwerpen, hetgeen de Hoge Raad volgde.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor smaad met een geheel voorwaardelijke geldboete van € 340,00.