Conclusie
eerste middelbehelst ten aanzien van feit 1 de klacht dat het hof de bewezenverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd, nu uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte diefstal met geweld dan wel afpersing voor ogen stond.
“nooit doen met torn, nooit gelijk er naar toe”. Voorts wordt door één van de inzittenden tegen de bestuurder gezegd dat hij naar rechts moet want dan kun je de vluchtstrook pakken als er wat gebeurt. Eén van de inzittenden vraagt: ”
hoe lang hebben jullie er toen over gedaan? Hoe lang nog dan [verdachte] ’waarop door een inzittende wordt geantwoord:
“als je een barkie(het hof begrijpt: 100)
rijdt ben je er in een uur”.Vlak voordat de auto door de politie tot stilstand wordt gedwongen, zegt één van de inzittenden: “
nee scotu. Gas, ga is naar rechts”.
tweede middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 ontoereikend is gemotiveerd, nu uit de bewijsvoering niet kan blijken van betrokkenheid van de verdachte bij het grondfeit waarop de voorbereidingshandelingen waren gericht. Daartoe wijst de steller van het middel er terecht op dat niet is vereist dat voorbereidingshandelingen zijn gericht op een door de voorbereider zelf (mede) te plegen delict. [12] Wanneer dat (mede)plegen evenwel in de tenlastelegging en bewezenverklaring is opgenomen dient die betrokkenheid uiteraard wel uit de bewijsvoering te kunnen volgen.
derde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.