Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
subonderdeel 1amiskent het hof, kort gezegd, dat [verweerder] reeds verzuim was gekomen vanaf het moment dat hij in gebreke bleef met de betaling van de opeisbare afbetalingstermijnen, rente en zakelijke lasten en dat diens aanbod in de dagvaarding om alsnog zijn verplichtingen na te komen zijn verzuim niet deed eindigen en evenmin kon meebrengen dat [eiser] in schuldeisersverzuim is geraakt. Op 20 augustus 2007 is de overeenkomst door (de advocaat van) [eiser] ontbonden, welke ontbinding reeds effect sorteerde ook zonder de daarin vervatte ingebrekestelling. De verschuldigde som was verschuldigd, ongeacht de vraag of tussen partijen is overeengekomen dat ofwel de hele ofwel de halve eigendom van het pand zou worden overgedragen. Gelet hierop is het hof in r.ov. 3.2 van het eerste tussenarrest hetzij uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij is de beslissing onbegrijpelijk.
onderdeel IIkomt [eiser] op tegen r.ov. 4.1 en 4.2 van het eerste tussenarrest en de uitwerking daarvan in het eindarrest.
Subonderdeel 2abestrijdt niet het oordeel van het hof dat de marktwaarde van het pand in 1989 een belangrijke, objectieve aanwijzing kan opleveren voor wat partijen zijn overeengekomen, maar betoogt dat het hof met deze overwegingen voorbij is gegaan aan essentiële stellingen van [eiser]. [eiser] heeft gesteld dat, als de stelling van [verweerder] juist zou zijn dat een koopprijs van fl. 150.000 voor het gehele pand is overeengekomen, [eiser] daardoor zou worden benadeeld, gezien:
een deskundigenbericht te gelasten omtrent de vraag wat de marktwaarde (de prijs die twee partijen in het commerciële verkeer met elkaar zouden overeenkomen) van het pand was in 1989, alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, zoals de onderhoudsstaat van het pand, de verhuurde staat van het pand en de daaruit gegenereerde inkomsten, eventuele aanschrijvingen van Bouw- en woningtoezicht etc.” Deze formulering impliceert dat het hof aan de deskundige heeft opgedragen om ook omstandigheden als de prijsontwikkelingen in de vastgoedmarkt en het met het pand te behalen rendement mee te wegen in het deskundigenbericht, zodat het ervoor moet worden gehouden dat hof daar niet aan voorbij is gegaan.
3.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
Hinterlegung), indien de schuldenaar de zaak nog kan terugnemen, [14] geen rente loopt. Zie § 379(2) BGB: “
Solange die Sache hinterlegt ist, trägt der Gläubiger der Gefahr und ist der Schuldner nicht verpflichtet, Zinsen zu zahlen order Ersatz für nicht gezogene Nützungen zu leisten.” Neemt de schuldenaar terug, dan is hij de rente met terugwerkende kracht weer verschuldigd geworden. Consignatie is krachtens § 372 BGB mogelijk bij schuldeisersverzuim in de zin van § 293 BGB (
Gläubigerverzug), maar ook in andere gevallen. De renteregel bij
Hinterlegungis echter niet bepalend voor de verschuldigdheid van rente in geval van schuldeisersverzuim.
Von einer verzinslichen Geldschuld hat der Schuldner während des Verzugs des Gläubigers Zinsen nicht zu entrichten.” De regel dat tijdens het schuldeisersverzuim de bedongen rente niet verschuldigd is, werkt naast de regel van § 379(2) BGB en belet dat rente tijdens het schuldeisersverzuim verschuldigd wordt. § 302 BGB voorziet in de mogelijkheid dat de schuldenaar, afhankelijk van de rechtsverhouding, door hem tijdens het schuldeisersverzuim genoten rente moet afstaan aan de schuldeiser. De strekking van de regeling is dat de schuldenaar door het schuldeisersverzuim geen nadeel dient te lijden, maar ook geen voordeel. [15]
ordonnance2016-131 van 1 februari 2016 zijn wijzigingen van de Code civil vastgesteld die per 1 oktober 2016 in werking zullen treden. [20] Volgens de nieuwe bepalingen zal, na aanzegging, de rente tijdens het schuldeisersverzuim niet verschuldigd zijn. Daarnaast blijft het mogelijk de som (na twee maanden) in consignatie te geven:
schuldenaarin verzuim is, hetgeen krachtens artikel 4 [6:61; A-G] bij verzuim van de schuldeiser niet het geval is. Om vergelijkbare redenen is het begrijpelijk dat in de huidige praktijk consignatie op de voet van de artikelen 1440 e.v. BW zeldzaam is, hoewel deze artikelen – anders dan het ontwerp – de schuldenaar die tot consignatie overgaat, definitieve bevrijding in het vooruitzicht stelt.” [31]
alleendoor middel van consignatie van de verschuldigde geldsom de schuldenaar zou kunnen bereiken dat de bedongen rente niet doorloopt. Deze lezing zou in
diezin in overeenstemming zijn met de gedachte dat de regeling van het schuldeisersverzuim beoogt de nadelen weg te nemen die voor de schuldenaar verbonden zijn aan het niet kunnen nakomen van zijn verbintenis, dat het nadeel van het doorlopen van de bedongen rente kan worden weggenomen door middel van consignatie. Deze lezing zou, tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde opvatting onder het BW van 1838 verklaren waarom in de parlementaire geschiedenis alleen aandacht wordt besteed aan de mogelijkheid om langs deze weg van de renteverplichting bevrijd te worden (en alleen § 379(2) BGB wordt genoemd, maar niet § 301 BGB).
overeengekomen tariefzou moeten blijven betalen. Zou de bedongen rente verschuldigd blijven tijdens het schuldeisersverzuim, dan zou de schuldeiser door middel van een onterechte weigering van de nakoming het risico van fluctuaties in de marktrente kunnen afwentelen op de schuldenaar. Het valt niet in te zien waarom de schuldenaar dit risico moet dragen, nu hij door zijn aanbod tot betaling aangeeft van (ook) dat risico bevrijd te willen worden. Het ligt meer in de rede om de schuldeiser te belasten met dit risico. Hij zou dit risico immers ook hebben moeten dragen indien hij het aanbod van de schuldenaar, zoals hij had behoren te doen, had aanvaard.