Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat het hof uit de ten aanzien van feit 1 gebezigde bewijsmiddelen – mede in het licht van een door de verdediging gevoerd bewijsverweer – niet heeft kunnen afleiden dat ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers goederen aan de boedel zijn onttrokken.
verklaring van de verdachteop de terechtzitting in eerste aanleg van 19 juli 2013, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
verklaring van de getuige [betrokkene 1] (curator)p. 26 e.v. -zakelijk weergegeven-:
verhoor van de getuige [betrokkene 5]d.d.
verhoor van de getuige [betrokkene 10]d.d. 30 november 2010 opgemaakt door mr. W.H.J. Stemker Koster, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
verhoor van de getuige [betrokkene 4]d.d. 29 november 2010 opgemaakt door mr. W.H.J. Stemker Koster, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
tweede middel– dat ik gelet op het slagen van het eerste middel slechts kort bespreek – wordt geklaagd over de afwijzing van een getuigenverzoek door het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 9 juli 2014. Het bedoelde verzoek betreft een bij appelschriftuur gedaan en op de genoemde zitting van 9 juli 2014 nader toegelicht verzoek van de verdediging tot het horen van drie getuigen, welke getuigen konden verklaren over de vraag op welke goederen de in eerste aanleg op initiatief van de verdediging aan het dossier toegevoegde facturen van de aankoop van tandartsspullen door andere partijen dan de rechtspersoon [A] B.V. betrekking hadden. Nu het hof bij zijn afwijzing van het genoemde getuigenverzoek niet meer heeft overwogen dan dat het ‘ongeachte het toepasselijke criterium’ zich ‘onvoldoende ingelicht’ achtte om het verzoek te kunnen toewijzen, is deze afwijzing niet toereikend gemotiveerd.