De zaak betreft een arrest van de Hoge Raad waarin de verdachte werd veroordeeld voor zware mishandeling en poging tot zware mishandeling door een fles in het gezicht van het slachtoffer te duwen en deze vervolgens tegen diens achterhoofd kapot te slaan. Het hof had de verdachte veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof de grondslag van de tenlastelegging had verlaten door zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde bewezen te verklaren. De Hoge Raad oordeelde dat de uitleg van de tenlastelegging aan de feitenrechter is voorbehouden en dat het hof niet onverenigbaar met de bewoordingen van de tenlastelegging heeft gehandeld. De twee handelingen werden als afzonderlijke feiten beschouwd, waarbij het eerste feit zware mishandeling opleverde en het tweede een poging daartoe.
Daarnaast werd betwist of het letsel als zwaar lichamelijk letsel kon worden aangemerkt. Het hof stelde vast dat het litteken in het gezicht duidelijk zichtbaar en blijvend was, en kwalificeerde dit als zwaar lichamelijk letsel. De wond op het achterhoofd werd als poging tot zware mishandeling beoordeeld.
De Hoge Raad verwierp ook het middel dat het oordeel over de gebitsschade onvoldoende gemotiveerd zou zijn. Het hof achtte de gebitsschade een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde en kende een schadevergoeding toe van in totaal €1.671,23 plus wettelijke rente.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het hof Den Haag.