Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
4 februari 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het niet naleven van een verblijfsontzegging en het beledigen en bespuwen van politieambtenaren. Bij het bewijs gebruikte het hof verklaringen van de verdachte die waren afgelegd zonder dat hij voorafgaand aan het verhoor een advocaat kon raadplegen, wat in strijd is met de Salduz-jurisprudentie.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte deze verklaringen gebruikte voor de bewezenverklaring van feiten 3 en 6, namelijk het niet voldoen aan een bevel tot verblijfsontzegging op twee verschillende data. Voor feit 5, het bespugen van een ambtenaar, was het bewijs ook gebaseerd op verklaringen van verbalisanten, zodat het gebruik van de verdachteverklaring niet tot cassatie leidde.
De Hoge Raad vernietigde het arrest voor zover het de feiten 3 en 6 en de strafoplegging betrof en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak benadrukt het belang van het recht op raadpleging van een advocaat voorafgaand aan het eerste politieverhoor.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor de feiten 3 en 6 en de strafoplegging, en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.