Conclusie
middelkeert zich – in het licht van art. 420bis, eerste lid onder b, Sr – met een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen het kwalificatieoordeel van het hof aangaande het onder 3 sub c en d bewezenverklaarde, meer in het bijzonder wat betreft de Audi A6 Quattro, het banktegoed van € 3.790,10 en het banktegoed van € 9.960,16.
avan art. 420bis Sr. Daarop heeft de in de toelichting op het middel aangehaalde recente rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de nadere motiveringseisen van het oordeel dat sprake is van witwassen in het geval dat de verdachte een uit enig door hemzelf begaan misdrijf afkomstig voorwerp heeft verworven of voorhanden heeft gehad, geen betrekking. [1] Wel is deze recente rechtspraak van toepassing op het bewezenverklaarde tweede gedeelte van de tenlastelegging, nu dat is toegesneden op de witwasvariant als omschreven in het eerste lid onder b. In dat licht zal ’s hofs oordeel, voor zover in cassatie bestreden, op juistheid en begrijpelijkheid dienen te worden beschouwd en gewogen.
“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
onmiddellijkdoor eigen misdrijf zijn verkregen en het (ii) geen gedragingen heeft vastgesteld die (kennelijk) gericht zijn op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder b, Sr. In zoverre geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. [5]
middellijkvan misdrijf afkomstig is. [7] Voorts lees ik in de door mij aangehaalde overwegingen dat het hof van oordeel is dat de verdachte het door eigen misdrijf verkregen geld heeft
omgezetin de aanschaf van de Audi. Op dat geval is de hierboven genoemde recente rechtspraak van de Hoge Raad in beginsel evenmin van toepassing. [8]