Conclusie
tweede middel. Bezien in samenhang met de toelichting keert dit middel zich tegen ’s hofs verwerping van het verweer van de verdediging dat het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro is geschonden vanwege het onrechtmatig handelen van een verbalisant die zich welbewust tegenover de verdachte als iemand anders (namelijk als sociaal werkster) heeft voorgedaan en aldus de verdachte moedwillig heeft misleid zonder dat daarvoor een wettelijke basis is.
Inzake de voorgestelde regeling van de politiële informant zijn vrij veel opmerkingen gemaakt (...) Naar aanleiding hiervan is de formulering van de bevoegdheid gewijzigd. In het concept was deze bevoegdheid omschreven als stelselmatig informatie inwinnen over de verdachte door met hem gesprekken te voeren. Dat is veranderd in het door een opsporingsambtenaar zonder dat kenbaar is gemaakt dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwinnen over de verdachte. Daarmee is duidelijker aangegeven welk aspect van deze opsporingsmethode met zich meebrengt dat een wettelijke basis vereis is: het aspect van misleiding. Die misleiding is belastend voor de verdachte waarmee gesprekken gevoerd worden (..).(Twee Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 25 403, nr.3, p. 62) . Terecht wordt dan ook in Tekst en Commentaar over de begrippen stelselmatig en misleiding opgemerkt:
Het artikel (126j Sv, raadsman) regelt alleen het stelselmatig inwinnen van informatie. Voor het niet stelselmatig inwinnen van informatie acht de wetgever kennelijk geen aparte bevoegdheid noodzakelijk. Ten dele zal terzake geen inbreuk worden gemaakt op de persoonlijke levenssfeer, terwijl evenmin van misleiding sprake is (geüniformeerde surveillance). Het inwinnen van informatie voorzover dat een lichte inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer, moet kennelijk voor gedekt worden gehouden door de algemene taakstelling. De vraag is of die algemene taakstelling ook toereikend zijn om de combinatie te legitimeren van een lichte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en daarbij toegepaste vormen van misleiding. Juist in die misleiding ligt voor artikel 126j een zelfstandige basis voor de noodzaak in een wettelijke bevoegdheid te voorzien. Het gaat daarbij niet zonder meer uitsluitend om stelselmatige misleiding (Tekst & commentaar, tiende druk, aantekening 3 bij artikel 126j Sv, p.565)Gelet op het bovenstaande is de verdediging van oordeel dat verbalisant [verbalisant] onrechtmatig heeft gehandeld. Haar opsporingshandeling kon niet gebaseerd worden op de algemene taakstelling van de politie. Gelet op de schending van een belangrijk grondrecht van cliënt, namelijk het recht op eerbiediging van zijn privé leven is de verdediging van oordeel dat dit vormverzuim gesanctioneerd moet worden met de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.”
In aanvulling op pagina 1, eerste alinea, na de zin: “ Verbalisant [verbalisant]...
gezocht met cliënt. ”:
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
(Kamerstukken II, 1996-1997, 25403, nr. 3, p. 34.)
eerste middel, dat over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase klaagt, klaarblijkelijk onvoldoende belang bij het onderhavige beroep tot uitdrukking brengt.