ECLI:NL:PHR:2016:797

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2016
Publicatiedatum
16 augustus 2016
Zaaknummer
15/00687
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.3 Wet werk en bijstandArt. 416 lid 2 SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt veroordeling wegens onjuiste bewezenverklaring gezamenlijke huishouding en opzet bij bijstandsfraude

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een veroordeling wegens opzettelijk voordeel trekken uit door misdrijf verkregen geld, in casu bijstandsfraude door de moeder van verdachte. Het hof had geoordeeld dat verdachte en zijn moeder een gezamenlijke huishouding voerden en dat verdachte wist dat zijn moeder ten onrechte een uitkering ontving, waardoor hij opzettelijk voordeel had getrokken.

De Hoge Raad herhaalt de criteria voor gezamenlijke huishouding volgens art. 3.3 WWB, waarbij sprake moet zijn van hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse zorg, waaronder een bijdrage aan de huishoudkosten. De Hoge Raad oordeelt dat het bewijs onvoldoende is om te concluderen dat verdachte zorg droeg voor zijn moeder, aangezien enkel gezamenlijke vakanties en incidentele betalingen onvoldoende zijn voor een duurzame wederzijdse verzorgingsrelatie.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof niet voldoende heeft bewezen dat verdachte wist of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn moeder onrechtmatig de uitkering ontving en dat hij opzettelijk voordeel trok uit met misdrijf verkregen geld. De bewezenverklaring is daarom niet met redenen omkleed en het arrest wordt vernietigd.

De zaak wordt terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting. Deze uitspraak verduidelijkt de strenge eisen aan bewijs van gezamenlijke huishouding en opzet bij voordeel trekken uit bijstandsfraude.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en verwijst zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding en opzet.

Conclusie

Nr. 15/00687
Zitting: 28 juni 2016
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
Bij arrest van 24 december 2014 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 10 april 2014, waarbij de verdachte is veroordeeld wegens “opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken”, bevestigd behoudens de aan de verdachte opgelegde straf en de motivering daarvan. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
Namens de verdachte heeft mr. C.N. Noordzee, advocaat te Zeist, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelklaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte een gezamenlijke huishouding in de zin van art. 3 Wet Pro Werk en Bijstand (hierna: WWB) heeft gehad met zijn moeder, nu niet zou zijn voldaan aan het criterium van wederzijdse verzorging.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:
“in de periode van 1 januari 2004 tot en met 9 juli 2012, te Wilnis, opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld, te weten geld van een door [betrokkene 1], met wie hij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in de Wet Werk en Bijstand, door middel van het opzettelijk (door die [betrokkene 1]) niet voldoen aan de inlichtingenverplichtingen, uit hoofde van de Wet Werk en Bijstand verkregen uitkering, welk geld geheel of gedeeltelijk werd besteed aan het huishouden waarvan hij, verdachte, deel uitmaakte.”
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsconstructie: [1]

4.3.1 De feiten
Aan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), wonende te [plaats 1] aan de [a-straat 1], is vanaf 8 september 1998 door de Gemeente De Ronde Venen (hierna: de Gemeente) een uitkering toegekend op basis van achtereenvolgens de Algemene Bijstandswet en de Wet Werk en Bijstand, naar de norm van een alleenstaande.
Uit observaties van 14 maart 2012 tot en met 4 april 2012 volgt dat er naast [betrokkene 1] ook twee volwassen mannen in haar woning wonen, waaronder haar volwassen zoon [verdachte].
Dit wordt bevestigd door de verklaringen van buren van [betrokkene 1].
Getuige [getuige 1] heeft als volgt verklaard: Ik woon aan de [a-straat 2] in [plaats 1], sinds 1989. Op [a-straat 1] wonen onze naaste buren. Dit gezin is een maand nadat wij hier zijn komen wonen in de woning naast ons ingetrokken. Het gezin bestaat uit een man [betrokkene 2], vrouw [betrokkene 1] en zoons [verdachte] en [betrokkene 3]. [betrokkene 3] is al lang geleden ergens anders gaan wonen. [betrokkene 2], [betrokkene 1] en [verdachte] zijn hier altijd blijven wonen. [betrokkene 2] is een jaartje weg geweest omdat ze in scheiding lagen. Dat kan wel tussen de 5 en 10 jaar geleden zijn. Daarna is [betrokkene 2] weer teruggekomen en gebleven.
Getuigen [getuige 2] en [getuige 3] hebben verklaard dat op [a-straat 1] een man, vrouw en kind wonen. De zoon is boven de 40. Zelf wonen zij op [a-straat 3] sinds 1986. De situatie is altijd zo geweest sinds zij hier wonen.
[verdachte] staat ingeschreven op een adres in [plaats 2]. Uit de verklaring van getuigen [getuige 4] en [getuige 5], omwonenden van de betreffende woning, volgt dat [verdachte] slechts enkele dagen per maand in de betreffende woning verblijft.
Dat [verdachte] niet op het adres van GBA-inschrijving in [plaats 2], maar in de woning van [betrokkene 1] verblijft, wordt bevestigd door zijn werkgever, die verklaart dat [verdachte] administratief in [plaats 2] staat ingeschreven, maar dat zijn bedrijfsbus ‘s nachts op het adres van [betrokkene 1] in [plaats 1] wordt bevoorraad.
[betrokkene 1] heeft verklaard dat [verdachte] sinds circa 2000 bij haar woont. [betrokkene 1] betaalt de kosten van huur, kookt en wast voor hem. [verdachte] betaalt haar hiervoor geen vergoeding. [betrokkene 1] heeft verder verklaard dat zij sinds 12 jaar samen op vakantie gaat met [verdachte], welke vakantie zowel door [verdachte] als door haar ex-man [betrokkene 2] wordt betaald. [verdachte] heeft vlonders betaald voor in de voor- en achtertuin van [betrokkene 1].
[betrokkene 1] heeft bij de Gemeente geen opgave gedaan van het feit dat [verdachte] bij haar verbleef. Evenmin heeft [betrokkene 1] inkomsten opgegeven van [verdachte].
Na juni 2012 is aan [betrokkene 1] geen uitkering meer verstrekt.
[verdachte] heeft verklaard dat hij wist dat [betrokkene 1] een uitkering ontving. Hij heeft verder verklaard dat hij geen vergoeding betaalt aan [betrokkene 1].
Bewijsoverwegingen
Op grond van de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen acht de rechtbank, anders dan de verdediging, wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [betrokkene 1] vanaf - in ieder geval - 1 januari 2004 hun hoofdverblijf hadden in de woning van [betrokkene 1] te [plaats 1].
Uit het voorgaande volgt eveneens dat [betrokkene 1], anders dan door de verdediging is bepleit, vanaf - in ieder geval - 1 januari 2004 een gezamenlijke huishouding voerde met [verdachte]. Niet alleen hadden [verdachte] en [betrokkene 1] hetzelfde hoofdverblijf, ook was sprake van een zorg voor elkaar, zoals bedoeld in artikel 3 lid 3 van Pro de Wet Werk en Bijstand.
[verdachte] heeft verklaard dat hij wist dat [betrokkene 1] een uitkering ontving. Het is een feit van algemene bekendheid dat een alleenstaande die een uitkering ontvangt geen recht meer op die (volledige) uitkering heeft indien deze een gezamenlijke huishouding voert. Gelet op het feit dat [verdachte] met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de ten laste gelegde periode een gezamenlijke huishouding voerden, [verdachte] en [betrokkene 2] ieder een eigen inkomen hadden en [betrokkene 1] niettemin een uitkering ontving, wist [verdachte] dat het niet anders kon zijn dan dat [betrokkene 1] niet aan de Gemeente had meegedeeld dat [verdachte] en [betrokkene 2] bij haar woonden. [verdachte] wist aldus dat [betrokkene 1] ten onrechte een uitkering van de Gemeente ontving. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitkering van [betrokkene 1], aangezien van de uitkering van [betrokkene 1] de kosten voor huur, gas, licht en boodschappen werden betaald.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.”
6. Art. 3, derde lid (oud), WWB luidde ten tijde van de ten laste gelegde periode, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt:
“3.
Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
(…).” [2]
7. Ingevolge het derde lid is dus sprake van een “gezamenlijke huishouding” indien (i) twee personen (ii) hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en (iii) zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De aanduiding hoofdverblijf bedoelt tot uitdrukking te brengen dat niet de formele, maar de feitelijke woonsituatie doorslaggevend is. [3] De drie aangehaalde basiselementen van het begrip gezamenlijke huishouding dienen te worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria. [4] Daarbij kunnen in aanmerking worden genomen de woonsituatie, de mate van financiële verstrengeling en de feitelijke omstandigheid dat men elkaar over en weer verzorgt. Financiële verstrengeling van twee personen kan een indicatie zijn voor wederzijdse zorgzaamheid, maar kan ook zijn gelegen in het op andere wijze in elkaars verzorging voorzien of in het in natura verrichten van prestaties, aldus mijn ambtgenoot Machielse in zijn conclusie voorafgaand aan HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6743. [5] In zijn arrest van 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6828 overwoog de belastingkamer van de Hoge Raad met betrekking tot “gezamenlijke huishouding” in de zin van art. 3 WWB Pro onder meer:
“3.4.1. De klachten betogen verder dat de Centrale Raad is uitgegaan van een te ruime uitleg van het hiervoor in 3.2 bedoelde begrip gezamenlijke huishouding. Daartoe wordt aangevoerd dat de wetgever met dit begrip heeft beoogd aan te sluiten bij jurisprudentie van de Hoge Raad over artikel 1:160 BW Pro, op grond waarvan dat artikel restrictief moet worden uitgelegd en slechts kan worden toegepast indien tussen de samenwonenden een affectieve relatie bestaat van duurzame aard (zie HR 13 juli 2001, nr. R00/120HR, LJN ZC3603, NJ 2001/586). Volgens de klachten moet aansluiting worden gezocht bij een als "normaal" te beschouwen huwelijk. 3.4.2. De klachten falen ook in zoverre. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de aansluiting bij rechtspraak van de Hoge Raad over artikel 1:160 BW Pro betrekking op de voorwaarde van wederzijdse zorg, die een van de elementen vormt van het begrip gezamenlijke huishouding in (thans) artikel 3, lid 3, van de WWB (Kamerstukken II 1985/86, 19 259, nr. 10 en 13). In deze aansluiting ligt niet besloten dat ook de eisen worden overgenomen die in de rechtspraak over artikel 1:160 BW Pro worden gesteld aan de aard van de relatie tussen de samenwonenden waaruit die wederzijdse zorg voortvloeit. Uit de parlementaire geschiedenis van de wet waarbij het criterium van wederzijdse zorg in de Algemene bijstandswet is opgenomen volgt daarentegen dat de wetgever subjectieve elementen, zoals de aard van de relatie, niet relevant heeft geacht voor de beoordeling of sprake is van een gezamenlijke huishouding (Handelingen II 1985/86, 66, p. 4367). Deze opvatting is ook tot uitdrukking gekomen bij de parlementaire behandeling van de opvolgende overeenkomstige bepaling in de Algemene bijstandswet (zie Kamerstukken II 1991/92, 22 545, nr. 3 en Kamerstukken I 1994/95, 22 545, nr. 75c). Van dit standpunt is de wetgever bij de invoering van de WWB niet teruggekomen. Ook voor de toepassing van artikel 3, lid 3, van de WWB moet daarom worden aangenomen dat de subjectieve aard van de relatie tussen de samenwonenden niet van belang is (vgl. ook HR 27 september 1991, rek. nr. 7922, NJ 1991/787, overweging 3.4). 3.5.1. De klachten betogen voorts dat de in artikel 3, lid 3, van de WWB vervatte eis van wederzijdse zorg een relatie van duurzame aard tussen de samenwonenden veronderstelt. 3.5.2. Bij de beoordeling hiervan moet worden vooropgesteld dat niet iedere incidenteel verleende zorg de slotsom rechtvaardigt dat sprake is van (wederzijdse) zorg in de zin van artikel 3, lid 3, van de WWB. De voorwaarde in deze wetsbepaling dat de betrokkenen zorg voor elkaar dragen, strekt ertoe de toepassing van de regeling te beperken tot die gevallen waarin op grond van de omstandigheden van het geval redelijkerwijs mag worden aangenomen dat tussen hen een wederzijdse verzorgingsrelatie bestaat (vgl. overweging 3.5 van het hiervoor in 3.4.2 vermelde arrest van 27 september 1991). 3.5.3. De bestreden uitspraak geeft er geen blijk van dat de Centrale Raad dit zou hebben miskend en zich zou hebben gebaseerd op zorg van een onvoldoende omvang of frequentie. De klachten falen daarom ook in zoverre. 3.6.1. In onderdeel 4.6 van de bestreden uitspraak is een reeks feiten en omstandigheden vermeld op grond waarvan de Centrale Raad tot de slotsom is gekomen dat in de te beoordelen periode sprake was van wederzijdse zorg tussen belanghebbende en A. [6] De klachten betogen tot slot dat die feiten en omstandigheden, waaronder het samen ondernemen van activiteiten, onvoldoende zijn om daarop die slotsom te kunnen baseren. 3.6.2. De klachten falen ook in zoverre. Ook indien buiten beschouwing wordt gelaten dat belanghebbende en A samen activiteiten ondernamen zoals samen op vakantie gaan (zie HR 15 juni 2012, nr. 11/03810, LJN BV1924, BNB 2012/224), geeft het hiervoor in 3.6.1 bedoelde oordeel van de Centrale Raad - gelet op de overige in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak in aanmerking genomen omstandigheden - geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip wederzijdse zorg.”
8. Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de verdachte in de tenlastegelegde periode voornamelijk bij zijn moeder woonde, zijn moeder de kosten voor de huur betaalde en voor de verdachte kookte en waste, waarvoor de verdachte geen vergoeding betaalde, dat de verdachte samen met zijn moeder op vakantie ging, dat deze vakantie(s) door haar ex-man en de verdachte werd(en) betaald, en dat de verdachte vlonders voor de tuin van zijn moeder had betaald.
9. Kan nu uit deze objectieve omstandigheden worden afgeleid dat tussen de verdachte en zijn moeder een wederzijdse verzorgingsrelatie in de zin van art. 3 WWB Pro bestond, die gelet op de bewezenverklaring bovendien duurzaam moet zijn geweest? Uit de bewijsmiddelen blijkt, denk ik, nog wel in voldoende mate dat de moeder (onafgebroken) in de verzorging van de verdachte voorzag. Maar nu hier de eis van wederkerigheid geldt, doet zich ook de vraag voor of op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen de verdachte in redelijkheid gezegd kan worden zorg te hebben gedragen voor zijn moeder door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Het lijkt mij dat het bewijsmateriaal niet toereikend is om deze vraag in bevestigende zin te beantwoorden. Door het hof is in dit verband slechts vastgesteld dat de verdachte de gezamenlijke vakantie betaalde en dat hij een keer de genoemde vlonders heeft betaald. Dat is naar mijn inzicht te weinig voor het bewijs van een gezamenlijke huishouding zoals is bewezenverklaard. Dat betekent dat de bewezenverklaring mijns inziens niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
10. Het middel slaagt mitsdien.
11. Het
tweede middelklaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat er sprake is geweest van opzet bij de verdachte dan wel dat, zo al sprake zou zijn geweest van een gezamenlijke huishouding, zijn opzet erop was gericht dat de gezamenlijke huishouding geheel of ten dele werd bekostigd met het uit misdrijf verkregen geld.
12. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op de delictsomschrijving van art. 416, tweede lid, Sr en houden, voor zover hier van belang, in dat de verdachte “opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld”. Het opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, bestrijkt hier alle daarop volgende delictsbestanddelen [7] , en moet derhalve gericht zijn geweest op zowel ‘het voordeel trekken’ als op het feit dat ‘het geld door misdrijf is verkregen’. Uit de bewijsvoering zal dus onder meer moeten kunnen worden afgeleid dat de verdachte wist, althans bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat zijn moeder haar uitkering ontving door middel van bijstandsfraude (en dat hij daaruit in het verband van een gezamenlijke huishouding voordeel trok).
13. Het hof heeft uit de inhoud van de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte in de tenlastegelegde periode hoofdzakelijk bij zijn moeder woonde, dat hij aldus gebruik maakte van de voorzieningen op dat adres en daar ook maaltijden nuttigde en dat die voorzieningen, de maaltijden en de huur althans voor een belangrijk deel werden bekostigd door zijn moeder terwijl hij wist dat zij een bijstandsuitkering ontving. Het in de bewijsoverwegingen genoemde samenstel van omstandigheden dat de verdachte met zijn moeder en [betrokkene 2] een gezamenlijke huishouding voerde, de verdachte en [betrokkene 2] ieder een eigen inkomen hadden en de moeder niettemin een uitkering ontving, leidt echter niet zonder meer tot de slotsom dat de verdachte “wist dat het niet anders kon zijn” dan dat zijn moeder niet aan de gemeente had meegedeeld dat de verdachte en [betrokkene 2] bij haar woonden en dat de verdachte aldus wist dat zijn moeder ten onrechte een uitkering van de gemeente ontving, en derhalve zeker niet tot het oordeel dat de verdachte wist a. dat zijn moeder niet had voldaan aan de inlichtingenverplichting uit hoofde van de WWB, b. dat zij aldus onjuiste gegevens had verstrekt en op grond daarvan ten onrechte een uitkering genoot voor een alleenstaande en c. dat derhalve sprake was van geld dat door misdrijf was verkregen. [8] Daaromtrent houdt de bewijsconstructie van het hof niets in. De door het hof overgenomen overweging van de rechtbank dat het van algemene bekendheid is dat een alleenstaande die een uitkering ontvangt geen recht meer op die (volledige) uitkering heeft indien deze een gezamenlijke huishouding voert, maakt dat niet anders.
14. Het middel is terecht voorgesteld.
15. Beide middelen slagen.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Hier ten behoeve van de leesbaarheid weergegeven zonder voetnoten.
2.Het artikel is in de ten laste gelegde periode tweemaal gewijzigd. Op 1 januari 2010 werden de bij Wet van 17 december 2009,
3.Zie Kluwer,
4.In die zin reeds HR 27 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0351,
5.Die zaak deed de Hoge Raad af met de aan art. 81 RO Pro ontleende overweging.
6.Dit onderdeel houdt het volgende in: “4.6. De verklaringen van betrokkenen zelf bieden een toereikende grondslag voor het oordeel dat in de te beoordelen periode sprake was van wederzijdse zorg. Uit die verklaringen blijkt een zekere mate van financiële verstrengeling als bedoeld in 4.3: zij deelden de kosten van de boodschappen, zij deelden de kosten als ze op vakantie gingen, zij deelden de stakosten en waterkosten van de caravan, betrokkene 2 betaalde de vaste kosten van haar auto en betrokkene 1 betaalde af en toe de benzine en de garagekosten. Uit de verklaringen van betrokkenen blijkt voorts dat ook anderszins sprake was van wederzijdse zorg: zij deden samen boodschappen, zij gingen met elkaar op vakantie, zij aten samen, betrokkene 1 kookte meestal, betrokkene 1 mocht gebruik maken van de auto van betrokkene 2 en zij verzorgden elkaar bij ziekte. Anders dan betrokkene 2 heeft gesteld, bieden hun verklaringen geen grond voor het oordeel dat die geen betrekking hebben op de hier te beoordelen periode.”
7.Vgl. J. de Hullu,
8.Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3489 en HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1458.