De zaak betreft een cassatieberoep tegen een veroordeling wegens opzettelijk voordeel trekken uit door misdrijf verkregen geld, in casu bijstandsfraude door de moeder van verdachte. Het hof had geoordeeld dat verdachte en zijn moeder een gezamenlijke huishouding voerden en dat verdachte wist dat zijn moeder ten onrechte een uitkering ontving, waardoor hij opzettelijk voordeel had getrokken.
De Hoge Raad herhaalt de criteria voor gezamenlijke huishouding volgens art. 3.3 WWB, waarbij sprake moet zijn van hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse zorg, waaronder een bijdrage aan de huishoudkosten. De Hoge Raad oordeelt dat het bewijs onvoldoende is om te concluderen dat verdachte zorg droeg voor zijn moeder, aangezien enkel gezamenlijke vakanties en incidentele betalingen onvoldoende zijn voor een duurzame wederzijdse verzorgingsrelatie.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof niet voldoende heeft bewezen dat verdachte wist of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn moeder onrechtmatig de uitkering ontving en dat hij opzettelijk voordeel trok uit met misdrijf verkregen geld. De bewezenverklaring is daarom niet met redenen omkleed en het arrest wordt vernietigd.
De zaak wordt terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting. Deze uitspraak verduidelijkt de strenge eisen aan bewijs van gezamenlijke huishouding en opzet bij voordeel trekken uit bijstandsfraude.