ECLI:NL:HR:2013:BZ6828
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Th. Groeneveld
- Rechtspraak.nl
Begrip gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg in Wet werk en bijstand
In deze zaak stond centraal de uitleg van het begrip gezamenlijke huishouding in artikel 3, lid 3, van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam had de uitkering van belanghebbende herzien en teruggevorderd wegens vermeende gezamenlijke huishouding met een ander persoon in de periode 1998-2004. De rechtbank had het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde dit en stelde het College in het gelijk, waarna belanghebbende cassatie instelde.
De Hoge Raad oordeelde dat het begrip gezamenlijke huishouding inhoudt dat twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en blijk geven van wederzijdse zorg, bijvoorbeeld door bijdragen aan de huishoudkosten. De aard van de relatie tussen de samenwonenden is niet relevant, ook niet of er sprake is van een affectieve of duurzame relatie zoals bij een huwelijk. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie.
De klachten van belanghebbende dat de Centrale Raad getuigenverklaringen onjuist had gewogen en dat de uitleg van gezamenlijke huishouding te ruim was, werden verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat de Centrale Raad zich had gebaseerd op objectieve en concrete feiten en dat de wederzijdse zorg een verzorgingsrelatie van voldoende omvang en frequentie veronderstelt, wat in deze zaak was vastgesteld.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees geen proceskosten toe. Hiermee blijft de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep blijft in stand.