Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip ‘ontuchtige handelingen’ als bedoeld in art. 245 Sr Pro, althans dat het impliciete oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte in strijd zijn met de sociaal-ethische norm ontoereikend is gemotiveerd.
Ten aanzien van het feit met parketnummer 10/811112-12
aangeefster [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1998d.d 30 september 2013).
aangeefster [betrokkene 1]d.d. 14 en 14 mei 2012).
[verdachte]).
[verdachte]d.d. 30 mei 2012).
[betrokkene 2]).
[betrokkene 2]d.d. 24 mei 2012).
[betrokkene 3]d.d. 17 mei 2012).
[betrokkene 3]).
NJ2010/376 m.nt. Keijzer, door de raadsman aangehaald in de toelichting op het eerste middel, ging het eveneens om ontuchtige handelingen tussen tieners: een 15-jarig meisje ging met haar bijna 17-jarig ex-vriendje A en de net 17-jarige verdachte B naar de kamer van A. Het meisje had eerder vrijwillig seks met haar ex-vriendje A gehad, en zij was nog steeds hevig verliefd op hem. Met de verdachte B had zij echter geen eerdere seksuele of affectieve relatie gehad. Het meisje en A waren op de achterbank van de taxi al wat intiem met elkaar, waarna zij op de kamer van A elkaar begonnen te strelen en te zoenen. Zij deed daar een striptease voor de jongens. Vervolgens had zij met A en de verdachte B in elkaars bijzijn geslachtsgemeenschap. De Hoge Raad overwoog:
NJ2010/376, de volgende omstandigheden vastgesteld voor het oordeel dat de seksuele handelingen als ontuchtig in de zin van art. 245 Sr Pro zijn aan te merken: het meisje was destijds 14 jaar oud, zij had meer keren in elkaars bijzijn met drie jongens van 15 jaar oud op verschillende manieren seks (pijpen, vingeren, vaginaal en anaal) terwijl zij de hele tijd nee zei en het stom vond dat [betrokkene 3] zijn vrienden gewoon hun gang liet gaan, geen van de jongens op dat moment een affectieve relatie met haar had en, afgezien van [betrokkene 3] , ook niet met haar had gehad, terwijl die handelingen werden gefilmd en later werd gedreigd die film openbaar te maken.
tweede middelbehelst de klacht dat het hof het voorwaardelijk gedane verzoek tot het horen (ik begrijp en lees: het benoemen) van een deskundige [3] heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen.
NJ2015/323 een verzoek als voorzien in art. 331, eerste lid, Sv in verbinding met art. 328 Sv Pro om gebruik te maken van een in art. 316 Sv Pro omschreven bevoegdheid. In zijn noot onder dit arrest werpt Borgers de vraag op waarom de Hoge Raad refereert aan art. 316 Sv Pro en niet is gaan liggen voor het anker van art. 315, derde lid tweede volzin, Sv. Deze bepaling luidt:
NJ2015/323 uit van de toepasselijkheid van art. 316 Sv Pro. Ingevolge art. 330 Sv Pro is de rechter op straffe van nietigheid verplicht op een desbetreffend verzoek te responderen. De maatstaf die de rechter daarbij dient te hanteren is of de rechter de noodzaak van het verzochte is gebleken. Gezien art. 415 Sv Pro zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op de procedure in hoger beroep.