Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
30 september 2014.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin het hof het verzoek tot het horen van een deskundige op het gebied van beeldherkenning heeft afgewezen. De verdediging had verzocht om een deskundige, bij voorkeur prof. dr. P.J. van Koppen, te benoemen om de betrouwbaarheid van de beeldherkenningen door politieambtenaren nader te onderzoeken.
De verdediging stelde dat de herkenningen onbetrouwbaar waren vanwege mogelijke effecten zoals het overdrachtseffect en crossraciale herkenning, en dat de verklaringen van verbalisanten veelal identiek waren, wat de onafhankelijkheid van de verklaringen in twijfel trok. Ook werd aangevoerd dat de koppeling van verdachte aan een telefoonnummer niet overtuigend was.
Het hof oordeelde dat het verzoek een bevoegdheid betrof op grond van art. 328 Sv Pro in verbinding met art. 330 Sv Pro en art. 316 Sv Pro, en dat de maatstaf voor de beslissing de noodzaak van het verzochte was. Het hof vond dat de betrouwbaarheid van de herkenningen mede aan de hand van het dossier kon worden beoordeeld en dat het onduidelijk was wat een deskundige nog kon toevoegen. Daarom werd het verzoek afgewezen met een toereikende motivering.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof de juiste maatstaf heeft toegepast en dat de motivering voldoende was. Het cassatieberoep faalde en werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot benoeming van een deskundige wordt afgewezen.