In deze zaak stond de vraag centraal of de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden in de cassatiefase van een ontnemingsprocedure. De verdediging stelde dat de overschrijding van de redelijke termijn tot vermindering van het ontnemingsbedrag moest leiden. Het hof had in hoger beroep de betalingsverplichting opgelegd zonder in het bijzonder de redenen te geven waarom het was afgeweken van het door de verdediging onderbouwde standpunt over de termijnoverschrijding.
De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn in hoger beroep en cassatie inderdaad was overschreden. Echter, omdat de overschrijding ook speelde in de samenhangende strafzaak, kon de compensatie worden toegepast in die hoofdzaak. De Hoge Raad besloot daarom om de zaak zelf af te doen en de betalingsverplichting te verminderen volgens de maatstaven die in ontnemingszaken gelden bij overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad verwierp het eerste middel dat tot cassatie zou moeten leiden, maar gaf wel aan dat het hof in strijd met artikel 359, tweede lid, tweede volzin Sv niet de vereiste motivering had gegeven bij het niet verminderen van het ontnemingsbedrag. De uitspraak werd vernietigd voor zover het de hoogte van de betalingsverplichting betreft en verminderd, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.