Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
Verkrijgingsprijs aanmerkelijk belang bij het ontstaan van binnenlandse belastingplicht
Ook op basis van het internationale recht komt de rechtbank tot de conclusie dat Nederland geen step-up hoeft te verlenen voor de waarde van het aanmerkelijk belang op het moment van immigratie. Onder het Verdrag Nederland-België komt het heffingsrecht over vermogenswinst op aandelen weliswaar aan België toe, maar van een zogenoemd `treaty override' doordat in Nederland de waardestijging in aanmerking wordt genomen over de periode waarin belanghebbende inwoner was van België, is geen sprake. Om een inbreuk te kunnen maken op een eventueel heffingsrecht van België moet er sprake zijn van vervreemding van de aandelen (art. 13, paragraaf 4, Verdrag Nederland-België) in de periode dat belanghebbende in België woonde. Dat is niet gebeurd. Nu belanghebbende vervolgens inwoner van Nederland is geworden, is er geen regel die het heffingsrecht aan Nederland als woonstaat inperkt. De rechtbank merkt terecht op dat het risico van dubbele heffing daardoor is verdwenen. Ook op basis van het Europese recht is moeilijk voor te stellen dat een eventuele discriminatie zich zou voordoen. Er is bijvoorbeeld geen onderscheid met iemand die altijd in Nederland is blijven wonen of met iemand die immigreert, maar geen onderdaan is van Nederland of voordien nooit in Nederland heeft gewoond.
Vakstudie Nieuwserkent dat de uitspraak van rechtbank Breda weliswaar wetconform is, maar betoogt dat de uitspraak desalniettemin een onrechtvaardige uitwerking heeft [20] :
TFO 2007/94, een lans gebroken voor de tweede opvatting. Hij heeft daarvoor steun gevonden in het zogenoemde Engelandarrest (HR 11 november 1998, nr. 32883,
BNB 1999/52). Dit arrest betrof een in het Verenigd Koninkrijk woonachtige erflater die een aanmerkelijk belang bezat in zijn in Nederland gevestigde bv en overleed, als gevolg waarvan deze aandelen vererfden op zijn in Nederland woonachtige erfgenaam. Volgens de toenmalige doorschuifregeling voor krachtens erfrecht verkregen aanmerkelijkbelangaandelen gold geen step-up van de verkrijgingsprijs bij de Nederlandse erfgenaam, aangezien destijds het systeem gold dat de verkrijgingsprijs van rechtswege werd doorgeschoven naar de verkrijger tenzij de gezamenlijke erfgenamen om afrekening van de aanmerkelijkbelangclaim verzochten. Aangezien de Nederlandse erfgenaam zich van geen kwaad bewust was en dus niet om afrekening van de aanmerkelijkbelangclaim had verzocht, was de verkrijgingsprijs van zijn rechtsvoorganger doorgeschoven naar hem. Dit was extra zuur. Had de Nederlandse erfgenaam namelijk wel om afrekening van de aanmerkelijkbelangclaim bij de erflater verzocht - quod non - dan had Nederland haar op grond van de buitenlandse belastingplicht bestaande heffingsrecht niet kunnen effectueren, omdat het belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk het heffingsrecht over de aanmerkelijkbelangaandelen toewees aan de woonstaat van erflater, zijnde het Verenigd Koninkrijk. De erflater was immers langer dan vijf jaren uit Nederland geëmigreerd, zodat het aanmerkelijkbelangvoorbehoud van art. 13, vijfde lid, verdrag Nederland-Verenigd Koninkrijk 1980 inmiddels was uitgewerkt. De Hoge Raad accepteerde deze rigide consequentie van de doorschuifregeling voor krachtens erfrecht verkregen aanmerkelijkbelangaandelen echter niet en oordeelde dat de Nederlandse erfgenaam toch een step-up kreeg van de verkrijgingsprijs naar de waarde in het economische verkeer van de aanmerkelijkbelangaandelen ten tijde van het overlijden van zijn rechtsvoorganger. Onzes inziens een juiste en bovenal rechtvaardige beslissing van de Hoge Raad. Wij benadrukken hierbij dat de Hoge Raad tot een dergelijk rechtvaardig oordeel bereid was, ondanks het feit dat de erflater in de uitgangssituatie, net als in onderhavige casus van Rechtbank Breda, wel buitenlands belastingplichtig was in Nederland ter zake van de aanmerkelijkbelangaandelen. Nationaalrechtelijk had Nederland dus een belastingclaim uit hoofde van de buitenlandse belastingplicht. Had de Hoge Raad in dit arrest - net zoals Rechtbank Breda in onderhavige uitspraak doet - recht toe recht aan de wettelijke regeltjes toegepast, dan had de Nederlandse erfgenaam geen step-up gekregen van zijn verkrijgingsprijs en hadden wij niet veel meer kunnen doen dan te verzuchten: lex dura est sed lex (de wet is hard, maar het is de wet). Gelukkig deed de Hoge Raad dit niet en oordeelde hij - met het voorbijgaan aan de wettelijke regeltjes - meer in de geest van de aanmerkelijkbelangregeling dat Nederland alleen gerechtigd is belasting te heffen over aanmerkelijkbelanginkomen voor zover dit op Nederlands grondgebied is ontstaan en Nederland hierover ook heffingsgerechtigd is op grond van het vigerende belastingverdrag.
BNB 1990/2, waarin in de uitgangssituatie de erflater überhaupt niet belastingplichtig was in Nederland, aangezien het een aanmerkelijk belang betrof in een in Suriname gevestigde vennootschap.
FutDten eerste acht de bestreden uitspraak niet verrassend. De uitspraak is volgens haar in lijn met de uitgangspunten in de wet en jurisprudentie: [21]
BNB 2009/260-262) alsmede het arrest van 16 januari 2015 (
BNB 2015/64) heeft de Hoge Raad tot uitdrukking gebracht dat uit de in het desbetreffende verdrag neergelegde hoofdregel met betrekking tot de verdeling van de heffingsbevoegdheid over vermogenswinsten tussen de verdragsluitende staten voortvloeit dat de zogenoemde vertrekstaat bevoegd is de tijdens de periode van inwonerschap in de vertrekstaat geconstateerde vermogensaanwas (door middel van een conserverende aanslag) in de heffing te betrekken en dat zulks niet in strijd is met de goede trouw die in acht moet worden genomen bij de uitlegging en toepassing van het desbetreffende belastingverdrag. Het hiervoor weergegeven oordeel van de Hoge Raad met betrekking tot de verdeling van de heffingsbevoegdheid voor wat betreft de hiervoor omschreven vermogensaanwas brengt mee dat de nieuwe woonstaat in zoverre niet bevoegd is deze vermogensaanwas in een heffing naar het inkomen te betrekken. Vanzelfsprekend komt Nederland, indien zij de nieuwe woonstaat is, dan in zoverre niet het recht toe deze vermogensaanwas (bij vervreemding) als inkomen uit aanmerkelijk belang in de heffing van de inkomstenbelasting te betrekken. Dit zou pas anders zijn indien op grond van het van toepassing zijnde verdrag, zulks in afwijking van de hoofdregel, de heffingsbevoegdheid over die vermogensaanwas (gedeeltelijk) zou zijn toegewezen aan die nieuwe woonstaat (bijvoorbeeld omdat die nieuwe woonstaat ooit ook de vertrekstaat van een belastingplichtige is geweest). In belanghebbendes geval is evenwel de uitzondering op de hoofdregel niet van toepassing. Voor wat betreft het onderhavige verdrag kan overigens nog worden gewezen op de volgende passage uit de parlementaire geschiedenis bij de behandeling van de wet tot goedkeuring van dit verdrag luidende:
Kamerstukken II 1997/98, 25087, 4), niet de bedoeling is van Nederland om meer heffingsrechten te claimen dan tot het bedrag waarnaar de conserverende aanslag is opgelegd. De waardeaangroei na emigratie naar België is derhalve ter heffing aan België toegewezen. Het voorbeeld in de gezamenlijke artikelsgewijze toelichting illustreert dit. In dat voorbeeld emigreert een natuurlijke persoon op 1 juli 2003 naar België. Hij heeft aanmerkelijkbelangaandelen met een verkrijgingsprijs van 40. De waarde in het economische verkeer van de aandelen bedraagt op 1 juli 2003 140. Er wordt een conserverende aanslag opgelegd van 25 (25% van (140-/-40). In 2004 vindt een dividenduitkering van 60 plaats, waarover op grond van artikel 10 in Pro Nederland 9 dividendbelasting is verschuldigd (15% van 60). De conserverende aanslag wordt daardoor verminderd tot 16 (25-/-9). Vervolgens worden de aandelen in 2005 verkocht voor 200. Op dat moment wordt het uitstel van betaling ingetrokken en moet de belastingplichtige het restant van de aanslag, 16, betalen. Er vindt in Nederland dus geen heffing plaats over het verschil tussen de vervreemdingsprijs van 200 in 2005 en de waarde in het economische verkeer van 140 op 1 juli 2003. Het heffingsrecht over de waardeaangroei die zich na de emigratie voordoet, is aan België toegewezen.”
Stb. 2002, 596, en in België bij wet van 11 december 2002, Belgisch Staatsblad van 20 december 2002 (57533–57560), uitdrukkelijk goedgekeurd. De bepalingen van het Verdrag en de protocollen zijn ingevolge artikel 33, paragraaf 1, juncto de preambules van protocol I en II, op 31 december 2002 in werking getreden (
Trb. 2003, 2). [32]