Conclusie
1.Feiten
[betrokkene 1] is haar statutair directeur. Vitens is een waterleidingbedrijf.
[betrokkene 2] was de bestuursvoorzitter van Vitens.
gevalvan gewijzigde omstandigheden. Dit is het geval indien:
‘Kraanwater van Nederland behoort tot de beste van de wereld, in ieder geval van Europa, het is zuiver, het is stromend, het is altijd vers dus in die zin is kraanwater heel goed. Tja, van Zero-water weten we dat niet precies, we hebben nog niet echt goede onderzoeken en onderzoeksresultaten. Het lijkt vooral op gemineraliseerd water, en het nadeel van gemineraliseerd water is dat het, ja, toch minder zuiver is en dat het gebruikt wordt voor stoomstrijkijzers, en accu bijvullen en dat soort zaken.’ [3] Maar zegt u nu dat mineraalwater minder gezond is dan kraanwater?
‘Gedemineraliseerd water, heb ik het over. Gedemineraliseerd water is minder qua kwaliteit.’Ja. Gaat u iets doen tegen de beschuldigingen van Zero-water?
‘Nou, we vinden het sowieso heel vervelend dat de consument verkeerd wordt geïnformeerd, dus in die zin overwegen wij stappen. Wij zijn in eerste instantie uiteraard richting HWS en richting Albert Heijn gestapt, om tot een oplossing te komen door middel van een dialoog. Verder onderzoeken we nog nader [dat] de kwaliteit van Zero-water. En tenslotte overwegen we toch of we niet juridische stappen moeten ondernemen.” (…)
‘Nou, het is soms gewoon makkelijk om water verpakt te hebben, het is makkelijker om mee te nemen, in het vliegtuig is het makkelijk, het is … in sommige opzichten is het soms makkelijk, maar het hoeft niet.’(…)
Het is volksverlakkerij wanneer je mensen ervan overtuigt dat zij drinkwater niet kunnen vertrouwen, dat ze daarvoor naar de supermarkt moeten, om vier liter, of zes liter, of acht liter te halen van dezelfde kwaliteit, of misschien zelfs minder, dat naar huis te sjouwen, daar op te drinken, dan weer met de flessen terug te gaan waardoor allerlei verslechteringen van het water kan optreden. Dat is wel een vorm van volksverlakkerij, ja.”
2.Het procesverloop
Causaal verband onrechtmatige gedragingen Vewin?
Causaal verband onrechtmatige gedragingen Vitens?
de Volkskrantweliswaar enige rol heeft gespeeld bij het besluit van Albert Heijn om de overeenkomst met HWS te beëindigen, maar in welke mate dat artikel daarbij van belang is geweest, kan de rechtbank noch op grond van de verklaring van [betrokkene 4] noch op grond van het vonnis in kort geding vaststellen. In ieder geval volgt uit de bedoelde verklaring van [betrokkene 4] niet dat de onrechtmatige uitlatingen van Vitens in het artikel in
de Volkskrant- en niet zozeer de uitlatingen van de Consumentenbond daarin - doorslaggevend zijn geweest. De rechtbank heeft meer in het bijzonder geen aanwijzingen om te kunnen concluderen dat juist de onrechtmatig bevonden bewoordingen van Vitens ‘ketelwater’ of ‘accuwater’, die in het artikel in
de Volkskrantzijn gebruikt, tot het besluit om te beëindigen hebben geleid. Veeleer volgt uit de verklaring van [betrokkene 4] dat het feit dat Zero-water negatief in het nieuws kwam en werd geassocieerd met Albert Heijn - die als enige supermarkt Zero-water verkocht - relevant is geweest.
de Volkskranteen zekere rol heeft gespeeld in de besluitvorming van Albert Heijn over de beëindiging van de overeenkomst met HWS, maar ook dat niet met de hier vereiste mate van waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat de specifieke uitlatingen van Vitens daarbij van dusdanige betekenis waren dat een
conditio sine qua non-verband kan worden aangenomen. De rechtbank acht namelijk waarschijnlijk dat, wanneer de uitlatingen van Vitens niet in het artikel van
de Volkskrantzouden zijn gedaan - althans niet op onrechtmatige wijze -, Albert Heijn evenzeer tot beëindiging van de overeenkomst met HWS zou zijn overgegaan. In dat geval was immers nog steeds sprake geweest van aanzienlijke negatieve publiciteit rondom Zero-water, afkomstig van de Consumentenbond (op de website en in
de Volkskrant) van het Voedingscentrum en van Vewin (in het RTL-4 journaal, welke publiciteit niet onrechtmatig is bevonden). HWS is aldus niet in haar bewijsopdracht geslaagd.
conditio sine qua non-verband tussen de uitlatingen van Vitens in het artikel van
de Volkskranten de beëindiging van de overeenkomst van Albert Heijn, dient voor rekening te komen van HWS als de partij die de bewijslast en daarmee het bewijsrisico draagt.
conditio sine qua non-verband tussen de normschending en de schade kan worden aangenomen. De rechtbank komt daarom niet toe aan de toerekening van de schade als bedoeld in artikel 6:98 BW Pro. Er doen zich geen uitzonderlijke omstandigheden voor die meebrengen dat het onaanvaardbaar is dat het op HWS rustende bewijsrisico voor haar rekening komt (vgl. HR 24 december 2010, LJN BO1799). [7]
condicio sine qua non-verband tussen de onrechtmatige uitlatingen van Vitens en het intreden van schade (rov. 9). Het hof heeft overwogen dat [betrokkene 4] als getuige heeft verklaard dat Albert Heijn de overeenkomst om twee redenen heeft beëindigd: in de eerste plaats omdat het overeengekomen commercieel minimum niet werd gehaald en in de tweede plaats vanwege de commotie en publiciteit over Zero-water (in onder meer het RTL-nieuws en de Volkskrant) die schadelijk was voor de reputatie van Albert Heijn (rov. 10). Het hof overweegt:
3.Algemene uitgangspunten bij onzeker causaal verband
condicio sine qua non-verband ten onrechte de eis zou hebben gesteld dat de onrechtmatige uitlatingen van Vitens zelfstandig (een deel van) de schade hebben veroorzaakt. Volgens HWS bestaat het
condicio sine qua non-verband ook wanneer de onrechtmatige uitlatingen van Vitens in samenwerking met andere oorzaken de schade tot gevolg hebben gehad. Gezien de leer van de samenwerkende oorzaken had het hof volgens HWS niet tot het oordeel mogen komen dat
condicio sine qua non-verband ontbreekt tussen de onrechtmatige uitlatingen en het intreden van de schade. [9] In algemene zin merk ik hierover het volgende op.
verschillende normschen-dingen, waarvoor verschillende personen aansprakelijk zijn, tot het intreden van de schade (kunnen) hebben geleid. In dat geval kunnen de rechtsregels over
samenwerkende oorzakenen
alternatieve causaliteittoepassing vinden.
samenwerkende oorzakenis sprake indien (a) de schade het gevolg is van twee of meer, tegelijk uitwerkende, onrechtmatige gedragingen waarvoor verschillende personen aansprakelijk zijn en (b) de schade zonder één van die gedragingen niet zou zijn ingetreden. [12] Uw Raad oordeelde in het arrest Nugteren/Meskes [13] dat de aansprakelijke partijen dan hoofdelijk verbonden zijn voor de schade. Op grond van het arrest Alpuro/Dijkhuizen [14] geldt een uitzondering wanneer de tweede gedraging zodanig onvoorzienbaar is dat het intreden van schade niet aan de eerste gedraging kan worden toegerekend.
één normschendinggeldt de hoofdregel dat de benadeelde het
condicio sine qua non-verband moet aantonen niet altijd onverkort. Onder omstandigheden kan op grond van de
omkeringsregeleen vermoeden van causaal verband worden aangenomen. Bij een (mogelijke) samenloop van een (of meer) normschending(en) en een omstandigheid die voor risico van de benadeelde zou komen, kan in bepaalde gevallen het leerstuk van de
proportionele aansprakelijkheidworden toegepast. Hierna maak ik een enkele opmerking over ieder van deze leerstukken.
omkeringsregelkan voorshands (behoudens tegenbewijs) worden aangenomen dat er oorzakelijk verband bestaat tussen een normschending en het ontstaan van schade. Uw Raad pleegt in dit verband als volgt te overwegen:
proportionele aansprakelijkheidis een instrument voor het overbruggen van causaliteitsonzekerheid. Bij toepassing hiervan worden de lasten van de causaliteitsonzekerheid – anders dan in het geval van de alles-of-niets-benadering bij samenwerkende oorzaken, alternatieve causaliteit en de omkeringsregel – over beide partijen, eiser én gedaagde, verdeeld. Proportionele aansprakelijkheid kan aan de orde komen als niet is vast te stellen of de schade het gevolg is van de normschending dan wel van een omstandigheid die voor risico van de benadeelde komt. Het bekende voorbeeld uit de rechtspraak betreft de zaak van een persoon wiens gezondheidsschade (longkanker) zowel door het werken met asbest als door het eigen rookgedrag kan zijn veroorzaakt. [22] Bij de toepassing van het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid dient volgens de rechtspraak van Uw Raad terughoudendheid te worden betracht vanwege het daaraan verbonden bezwaar dat iemand aansprakelijk kan worden gehouden voor schade die hij mogelijkerwijs niet, of niet in de door de rechter aangenomen mate, heeft veroorzaakt. [23]
4.De cassatieklachten
Onderdelen 1.1, 1.2 en 3richten zich tegen dat oordeel. Verder komen de onderdelen op tegen het oordeel van het hof dat het beroep op samenwerkende oorzaken moet worden verworpen (rov. 14 en 15).
eerste onderdeelneemt verder tot uitgangspunt dat het hof in het midden heeft gelaten of de onrechtmatige uitlatingen in het artikel in de Volkskrant een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming van Albert Heijn. Vitens bestrijdt de juistheid van dat uitgangspunt in cassatie (Schriftelijke toelichting § 5.2.1 en 5.2.2).
onderdeel 1.1zou het hof met zijn oordeel over het ontbreken van causaal verband hebben miskend dat voor het aannemen van
condicio sine qua non-verband niet is vereist dat de normschending zelfstandig (een deel van) de schade heeft veroorzaakt. Dit
condicio sine qua non-verband zou ook bestaan als diverse samenwerkende oorzaken de schade veroorzaken. [26] Daartoe is verwezen naar de arresten Nugteren/Meskes en Alpuro/Dijkhuizen.
niet onrechtmatigis geacht
. [27] Er is dus geen sprake van samenloop van (tegelijk uitwerkende) onrechtmatige gedragingen waarvoor verschillende personen aansprakelijk zijn. Verder doet zich niet het geval voor dat de schade zonder de onrechtmatige uitlatingen van Vitens zou zijn uitgebleven. Het hof heeft immers geoordeeld dat er geen grond is voor de conclusie dat Albert Heijn de samenwerking met HWS zonder de onrechtmatige uitlatingen van Vitens in stand zou hebben gelaten. Het hof mocht bij die stand van zaken oordelen dat het beroep op samenwerkende oorzaken geen doel treft.
condicio sine qua non-verband is in deze zaak (slechts) sprake als de overeenkomst zonder de onrechtmatige uitlatingen niet zou zijn beëindigd. Het oordeel van het hof behelst een verwerping van de stelling dat Albert Heijn de beslissing tot beëindiging van de overeenkomst zonder de onrechtmatige uitlatingen niet zou hebben genomen (hiervoor onder 4.6). Dit oordeel vindt mijns inziens voldoende steun in de overwegingen (1) dat de discussie in 2003 – ook afgezien van de onrechtmatige uitlatingen – commotie meebracht, (2) dat het artikel in de Volkskrant, naast de onrechtmatige uitlatingen, de termen ‘volksverlakkerij’ en ‘inspelen op angst’ bevatte, (3) dat Albert Heijn in dit artikel één en andermaal werd genoemd en (4) dat uit de verklaring van [betrokkene 4] volgt dat deze verwijzing naar Albert Heijn een belangrijke reden voor de beëindiging van de overeenkomst was. Bij die stand van zaken is van een
condicio sine qua non-verband tussen de onrechtmatige uitlatingen en de beëindiging van de overeenkomst geen sprake. Niet kan worden aangenomen dat de beslissing van Albert Heijn zonder de onrechtmatige uitlatingen van de bestuursvoorzitter van Vitens zou zijn uitgebleven. Het hof mocht daarom in het midden laten of de onrechtmatige uitlatingen van de bestuursvoorzitter van Vitens wel enige andere (niet doorslaggevende) rol hebben gespeeld bij de besluitvorming van Albert Heijn.
condicio sine qua non-verband rust – naar het hof terecht en onbestreden heeft geoordeeld (rov. 6) – op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro op HWS. Ik heb geen (verwijzingen naar) stellingen aangetroffen die de slotsom rechtvaardigen dat de overeenkomst zonder de onrechtmatige uitlatingen zou zijn voortgezet. Het hof mocht daarom oordelen dat er geen grond is voor de conclusie dat Albert Heijn de samenwerking zonder de onrechtmatige uitlatingen van de directeur van Vitens in stand zou hebben gelaten (of, scherper geformuleerd, zou hebben voortgezet). Daarin ligt ook de verwerping besloten van de stelling dat de onrechtmatige uitlatingen de ‘game changer’ zouden zijn geweest.
in hoeverreomzetdaling was veroorzaakt door onrechtmatige uitlatingen in een televisie-uitzending. Bij die vraag ligt een alles-of-niets benadering niet direct voor de hand. Na een deskundigenbericht achtte het hof aannemelijk dat die omzetdaling voor 50% was toe te rekenen aan het onrechtmatige gedeelte van de uitzending. [31] In het onderhavige dossier staat echter de vraag centraal
ofAlbert Heijn de overeenkomst zonder de onrechtmatige uitlatingen zou hebben voortgezet. Het hof heeft op inhoudelijke gronden, en wat mij betreft niet onterecht (zie hiervoor 4.11), niet aannemelijk geacht dat Albert Heijn de overeenkomst zonder de onrechtmatige uitlatingen zou hebben voortgezet. Het oordeel van het hof vormt daarmee een adequate en begrijpelijke respons op de in dit dossier voorliggende vraag.
eerste en derde onderdeelzijn daarom ongegrond.
tweede onderdeeltreft in dat licht geen doel.
hoe dan ook niet zelfstandig leiden tot vernietiging van ’s hofs arrest.
vierde onderdeeltreft dus geen doel.