Conclusie
2. Bespreking van het cassatiemiddel
samenstelling en de omvangvan de huwelijksgoederengemeenschap kan niet van dit tijdstip worden afgeweken, ook niet op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid. [13]
waarderingvan de tot de ontbonden gemeenschap behorende goederen geldt dat een goed bij de verdeling in beginsel moet worden betrokken voor de waarde die het heeft op het moment van de verdeling, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit. Zie hierover HR 20 oktober 2001, NJ 2003/534: [14]
nietdirect te beschouwen zijn als een oudedagsvoorziening maar wel voorzien in een kapitaalopbouw, is het redelijk om aansluiting te zoeken bij de datum van ontbinding van de gemeenschap, aldus nog steeds Breederveld.
samenstelling en de omvangvan de gemeenschap. Maar omdat, zoals besproken onder punt 2.6, bij het bepalen van de peildatum voor het vaststellen van de samenstelling en de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap niet kan worden afgeweken van het moment van ontbinding van de gemeenschap - i.c. de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank op 19 november 2012 - voegt de overweging dat die datum tussen partijen niet in geschil is, weinig toe. Het maakt immers niet uit of partijen het hierover wel of niet eens zijn.
Het ligt dan ook meer voor de hand om het bestreden oordeel zo uit te leggen dat het hof van oordeel is dat voor wat betreft de vraag tegen welke datum de kapitaalverzekering moet worden
gewaardeerd, bij de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap op 19 november 2012 moet worden
aangesloten. Van deze datum was ook de rechtbank uitgegaan [19] , in aansluiting op het partijdebat. [20] Zij is ook af te leiden uit het vervolgoordeel in rov. 5.11, dat “in dit verband” van belang is dat de vrouw aanspraak maakt op een waarde die op de peildatum nog niet bestond en dat daarbij nog komt dat de vrouw niet bijdraagt aan de vermogensopbouw van de kapitaalverzekering in kwestie. Hieruit blijkt dat het hof van oordeel is dat uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat bij de verdeling van de kapitaalpolis als peildatum moet worden genomen de dag van ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Hierover zou men nog twijfels kunnen hebben, omdat niet duidelijk is waarom niet zou moeten worden uitgegaan van de hoofdregel, het tijdstip van verdeling. Dit doet echter niet ter zake, omdat de kern is dat het hof klaarblijkelijk geen aanleiding ziet - zo is hoe dan ook uit de bestreden overweging af te leiden - om bij de waardering van de kapitaalpolis aan te knopen bij een
latertijdstip, zoals de vrouw voorstond, en haar te laten meedelen in de vermogensopbouw in de resterende tien jaar van de looptijd van de polis. Dit oordeel is niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk. De zinsnede “Met de man is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om hiervan af te wijken” berust in het licht van het voorgaande op een vergissing. Kennelijk heeft het hof daarmee bedoeld dat de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om als waardepeildatum voor de kapitaalverzekering te nemen het moment waarop de looptijd van 30 jaar is voltooid.
nietdirect heeft bijgedragen aan de verdere vermogensopbouw van de kapitaalverzekering. De vrouw heeft in de feitelijke instanties niet aangevoerd dat zij via de partneralimentatie haar aandeel in de premie voor de kapitaalpolissen voldoet. De klacht verwijst in ieder geval niet naar een vindplaats waar dit argument is aangevoerd. Hetzelfde geldt voor de stelling dat de man niet heeft gevorderd om de vrouw te veroordelen om alsnog de helft van de premies te betalen en dat, indien hij dit had gedaan, de vrouw in wijziging van de alimentatie had verzocht. De klacht, wat daar inhoudelijk ook van zij, dient reeds op die grond te falen.
fishing expedition,waarvoor artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nadrukkelijk geen ruimte biedt. Het enkele niet nader onderbouwde vermoeden van de vrouw dat de man in de periode van maart 2012 tot en met november 2012 meer inkomsten heeft gehad dan waarvan zij kennis heeft, is onvoldoende om de man te verplichten al zijn bankafschriften over deze periode over te leggen. Het verzoek van de vrouw dient daarom te worden afgewezen, zodat grief II faalt.”
fishing expedition, dit oordeel onbegrijpelijk is nu de vrouw op grond van art. 1:100 BW Pro er een rechtmatig belang bij heeft dat het saldo van de bankrekening in de verdeling wordt betrokken, niet betwist is dat de man een nieuwe bankrekening had geopend voor de peildatum ten aanzien waarvan het saldo in de verdeling dient te worden betrokken en de man ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft aangegeven niet vrijwillig bereid te zijn de bankafschriften aan de vrouw over te leggen [23] en de vrouw niet anderszins mogelijkheden heeft om het saldo per de peildatum op te vragen. Volgens de klacht valt niet in te zien waarom de man niet via de weg van art. 843a Rv verplicht kan worden om een bankafschrift van de door hem erkende bankrekening per peildatum over te leggen aan de vrouw.
naechtscheiding mogelijk blijft, al zal het daarbij alleen kunnen gaan om inlichtingen over de huwelijkse periode. Na de scheiding vloeit een informatieplicht (in ieder geval) voort uit art. 3:166 lid 3 BW Pro juncto art. 6:2 BW Pro. [26]
fishing expeditionsvoorkomen worden.
Grief II houdt in ‘dat de rechtbank de man [ten onrechte] niet heeft veroordeeld om de bankafschriften van zijn nieuwe bankrekening(en) (sedert maart 2012) aan de vrouw te overleggen’ en dat de rechtbank de man ten onrechte niet heeft veroordeeld om de overgespaarde inkomsten uit het salaris van de man met de vrouw te delen. In de toelichting op de grief is vermeld dat de man nadat hij de woning heeft verlaten in maart 2012 een nieuwe bankrekening heeft geopend, dat hij vanaf mei 2012 zijn salaris daarop heeft laten storten, dat dit ook door de man is erkend, en dat de vrouw meent dat er bij de man in die periode van mei tot en met november 2012 meer geld is binnengekomen dan uit het saldo van zijn bankrekening blijkt. Daarom wil de vrouw inzage in het verloop van die rekening, alsmede van een mogelijk daaraan gekoppelde bankrekening (bedoeld zal zijn: spaarrekening) over de periode mei t/m 19 november 2012. Ook wil zij zien of er sprake is van benadeling van de gemeenschap. De man heeft daar in zijn verweerschrift tegenover gesteld - kort weergegeven - dat vanaf 1 juli 2012 op basis van zijn jaaropgaven een bijdrage in het levensonderhoud voor de vrouw is vastgesteld, aanvankelijk bij wijze van voorlopige voorziening en vanaf 25 oktober 2013 bij wege van partneralimentatie.Niet gesteld is dat hij naast zijn inkomen bij zijn werkgever nog andere inkomsten heeft. Van benadeling is geen sprake, aldus de man.
fishing expeditionniet altijd een vastomlijnde betekenis heeft, [30] is aannemelijk dat het hof daarmee bedoelt dat de vrouw zoekt naar informatie (met betrekking tot extra inkomsten van de man naast zijn salaris uit loondienst), terwijl er geen enkele aanwijzing is dat die informatie bestaat. Steun voor deze uitleg is te vinden in de passage “
het enkele niet nader onderbouwde vermoedenvan de vrouw (...) dat de man meer inkomsten heeft gehad dan waarvan zij kennis heeft, is onvoldoende (...)” (onderstreping a-g).
Ook kan het hof bedoeld hebben - gezien het verzoek in grief II om overlegging van bankafschriften “van zijn nieuwe bankrekening(en)” - dat de vrouw onvoldoende nauwkeurig heeft afgebakend in welke bescheiden zij inzage wenst. Ook dan kan namelijk gesproken worden van een ongewenste
fishing expedition. Dat het hof dit heeft bedoeld, is af te leiden uit de passage “ (…) is onvoldoende om de man te verplichten
al zijn bankafschriften over deze periodeover te leggen” (onderstreping a-g).
Voor de tweede uitleg geldt het volgende. In een brief van 27 september 2013 heeft de vrouw melding gemaakt van vijf bankrekeningen in de ontbonden huwelijksgemeenschap, met de eindcijfers 984, 577, 108, 067 en 848, alsmede een spaarrekening op naam van de man waarvan het nummer aan de vrouw niet bekend is. Ik merk op dat de rekening met eindcijfers 067 de rekening is waarop de man vanaf mei 2012 zijn salaris heeft laten storten. In rov. 2.3.11 van haar tussenbeschikking van 1 april 2014 heeft de rechtbank overwogen dat er vier bankrekeningen zijn en dat partijen daarover ter zitting afspraken hebben gemaakt. De rechtbank noemt vervolgens evenwel vijf rekeningen met de eindcijfers 577, 145, 984, 108 en 848. In haar eindbeschikking van 9 maart 2015 heeft de rechtbank beslissingen gegeven met betrekking tot deze vijf bankrekeningen. De 067-rekening zit daar dus niet bij.
Bij grief II heeft de vrouw niet gespecificeerd dat zij inzage wenst in of verdeling wil van de 067-rekening. De vrouw heeft ook niet gegriefd tegen rov. 2.3.11 van de tussenbeschikking van 1 april 2014, waarin de opsomming van de bankrekeningen is gegeven. Van het rekeningnummer waarin zij inzage of verdeling wenst heeft de vrouw pas melding gemaakt in productie 7, die bij V-formulier d.d 30 oktober 2015 is ingediend ten behoeve van de mondelinge behandeling op 10 november 2015. Na vermelding van het rekeningnummer eindigend op 067, staat op die productie: “
Hoogstwaarschijnlijk is zoals gebruikelijk ook een spaarrekening aan deze rekening gekoppeld. De vrouw wenst ook verdeling van deze spaarrekening en verlangt opgave van het verloop van deze spaarrekening en het saldo per peildatum.”
met ingang van 1 juli 2012voorlopige voorzieningen te treffen. De rechtbank heeft daarop bij beschikking voorlopige voorzieningen van 21 december 2012 [40] met ingang van 1 juli 2012 kinder- en partneralimentatie vastgesteld, waarbij de rechtbank ervan is uitgegaan dat de man de hypothecaire lasten van de voormalig echtelijke woning zal blijven voldoen. In haar appelschrift van 5 juni 2015, derhalve twee en een half jaar na de door haar verzochte voorlopige voorzieningen en het door haar ingediende verweerschrift tevens inhoudende zelfstandige verzoeken, heeft de vrouw verzocht om de man te veroordelen om aan haar een vergoeding te betalen voor de door haar gemaakte huishoudelijke kosten in de periode nadat de man de echtelijke woning had verlaten tot aan het moment van indienen van het verzoekschrift tot echtscheiding. Eerst op dat moment was het voor de man duidelijk dat de vrouw
ookvergoeding wenste van de door haar gemaakte kosten in de periode van maart tot en met juni 2012.
In het licht van het feit dat de vrouw niet eerder had verzocht om de man te veroordelen tot het betalen aan haar van een vergoeding van de huishoudelijke kosten in de periode van maart tot en met juni 2012, terwijl zij wel kort na aanvang van de echtscheidingsprocedure had verzocht om de man te veroordelen tot betaling aan haar van alimentatie over de periode met ingang van 1 juli 2012, heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het verzoek van de vrouw af te wijzen. Naar het klaarblijkelijke oordeel van het hof heeft de vrouw in het licht van het bovenstaande bij de man het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat zij niet een bijdrage in het levensonderhoud zou vragen voor de periode voorafgaand aan 1 juli 2012. Met de woorden “in hoger beroep” heeft het hof niet op het oog de appelprocedure als zodanig, maar op de tamelijk lange tijd die is verstreken na het indienen van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, waarin de vrouw verzoeken heeft ingediend voor de periode met ingang van 1 juli 2012, en het verzoek in hoger beroep. Dit oordeel is zodanig verweven met een beoordeling van de feiten dat het oordeel niet op juistheid kan worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. De verschillende onderdelen van de klacht stuiten alle hierop af.