Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
redelijkerwijsis te voorzien. Aan die eis doet artikel 288 lid 1 sub a Fw Pro geen afbreuk.
( [2] )
Parket bij de Hoge Raad
Verzoeker heeft bij de rechtbank Amsterdam verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling op grond van het niet meer kunnen voldoen aan zijn schulden, hoofdzakelijk een schuld bij ABN AMRO van circa €133.898. De rechtbank wees het verzoek af omdat niet kon worden vastgesteld dat verzoeker niet in staat zou zijn zijn schulden te blijven voldoen. Het hof Amsterdam bevestigde dit oordeel en overwoog dat verzoeker nog aflost en een aanzienlijke afloscapaciteit heeft. Tevens wees het hof op de mogelijkheid tot het treffen van een regeling met de bank.
Verzoeker stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof met meerdere klachten, waaronder dat het hof ten onrechte een verwijt maakte van het indienen van het verzoek en dat het hof de redelijkerwijs-eis verkeerd zou hebben toegepast. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten geen feitelijke grondslag hebben en dat het hof terecht heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat verzoeker niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen.
De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep geen behandeling rechtvaardigt en verklaart het niet-ontvankelijk. Hiermee blijft het arrest van het hof in stand dat de toelating tot de schuldsaneringsregeling weigert omdat verzoeker nog over voldoende afloscapaciteit beschikt en er nog ruimte is voor onderhandelingen met de schuldeiser.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.