ECLI:NL:PHR:2017:10

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2017
Publicatiedatum
18 januari 2017
Zaaknummer
16/06133
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a lid 1 RvArt. 407 lid 1 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieverzoek wegens ontbreken advocaatsondertekening en verkeerde rechtsingang

In deze civiele zaak vorderde verzoekster schadevergoeding wegens het kappen van bomen door verweerder op haar perceel. De rechtbank wees de vergoeding toe, maar het gerechtshof vernietigde dit en kende een lagere vergoeding toe, waarbij verzoekster in de kosten van het hoger beroep werd veroordeeld.

Verzoekster wendde zich vervolgens tot de Hoge Raad met een cassatieverzoek tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof. Dit verzoekschrift was echter niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist volgens art. 426a lid 1 Rv. Hoewel verzoekster hierop werd gewezen, werd het verzuim niet binnen de gestelde termijn hersteld.

Daarnaast was de gekozen rechtsingang onjuist conform art. 407 lid 1 Rv Pro. De Hoge Raad verklaarde daarom het cassatieverzoek niet-ontvankelijk en wees het verzoek af. Deze beslissing volgt de vaste jurisprudentie dat niet-ondertekende verzoekschriften zonder hersteltermijn niet in behandeling worden genomen.

Uitkomst: Het cassatieverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van advocaatsondertekening en niet-herstel binnen de termijn.

Conclusie

16/06133
Mr. F.F. Langemeijer
13 januari 2017
Conclusie inzake:
[verzoekster]
tegen
[verweerder]
1. [verzoekster] heeft een vordering ingesteld tegen [verweerder] als gedaagde, tot vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden doordat hij op haar perceel takken van bomen heeft afgezaagd en bomen heeft gekapt. Bij tussenvonnis van 2 juli 2013 heeft de rechtbank Overijssel aan gedaagde bewijs opgedragen. Bij eindvonnis van 22 oktober 2013 heeft de rechtbank de gevorderde vergoeding (in hoofdsom € 7.686,24) toegewezen, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.
2. Op het hoger beroep van gedaagde heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 27 september 2016 beide vonnissen vernietigd. Opnieuw recht doende, heeft het hof een vergoeding toegewezen van € 280,- plus € 3.650,-, dit laatste bedrag te vermeerderen met BTW. Het hof heeft de proceskosten in eerste aanleg gecompenseerd en [verzoekster] veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de appellant begroot op in totaal € 3.783,44.
3. Bij brief gedateerd 29 november 2016 heeft [verzoekster] zich tot de Hoge Raad gewend met het verzoek het arrest van 27 september 2016 te vernietigen. Dit verzoekschrift in cassatie was in strijd met art. 426a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzuim is niet binnen twee weken hersteld [1] , hoewel [verzoekster] door de griffie hierop is geattendeerd. Bovendien is een verkeerde rechtsingang gekozen; zie art. 407 lid 1 Rv Pro. Bij brief van 10 december 2016 heeft [verzoekster] in haar verzoek volhard.
4. Om deze reden luidt de
conclusiedat [verzoekster] niet in haar cassatieberoep kan worden ontvangen.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
plv

Voetnoten

1.Vgl. HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212 m.nt. H.J. Snijders.