Conclusie
eerste middelklaagt dat uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet het daderschap van verzoeker kan volgen voor wat betreft het ‘opzettelijk telen’ van hennep en het 'zich wederrechtelijk toe-eigenen van elektriciteit/stroom'. Het
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat bij de bewezenverklaarde delicten andere personen dan verzoeker betrokken zijn geweest. Deze middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Nadere bewijsoverweging
Geen pleger en geen medepleger13. Ten aanzien daarvan is opvallend dat de rechtbank overweegt dat niet uit het dossier volgt dat een ander of anderen dan verdachte zich met de hennepkwekerij hebben beziggehouden en dat de verwijzing naar arresten van de hoge raad geen doel treft, omdat die arresten zien op medeplegen. Naar het de verdediging voorkomt slaat de rechtbank hier zowel juridisch als feitelijk de plank mis.
rechtstreeksdat het de verdachte is geweest die de hennep heeft geteeld en de elektriciteit heeft weggenomen en staat dit derhalve aan een veroordeling voor de bewezenverklaarde misdrijven in de weg. Ter onderbouwing wordt gewezen op een arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6764. In die zaak bleek uit de bewijsmiddelen onder meer dat de verdachte een loods had gehuurd, dat hij de sleutels van de loods had gekregen, dat hij regelmatig in en rond de loods met anderen was gezien door de verhuurder, dat hij (aldus de verklaring van de verdachte) twee anderen in die loods aan het werk had gezet en dat in die loods een hennepkwekerij was aangetroffen. Ten laste van de verdachte was door het hof bewezenverklaard dat hij als enig pleger de hennepplanten had geteeld. Dat was vooral in het licht van de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte merkwaardig. De Hoge Raad casseerde omdat uit de inhoud van de bewijsvoering (dus) niet zonder meer kon worden afgeleid dat de verdachte de hennep zelf had geteeld, zoals was bewezenverklaard. In dezelfde lijn ligt het arrest van HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:243. In een autobedrijf werd een grote hoeveelheid hennep en hasjiesj aangetroffen, die daar bewerkt en verwerkt werden. De verdachte verklaarde dat zijn compagnon een coffeeshop had, maar zijn hennep en hasj in het garagebedrijf verwerkte omdat hij, de compagnon, dat uit angst voor een overval niet meer in zijn coffeeshop durfde te doen. De verdachte werd door het hof als medepleger aangemerkt. De Hoge Raad dacht daar onder verwijzing naar het overzichtsarrest inzake medeplegen van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474,
NJ2015/390 anders over. Weliswaar kon op grond van ’s hofs bewijsvoering worden gezegd dat de verdachte ervan op de hoogte was dat zijn compagnon de hennep bewerkte en verwerkte, maar niet dat de verdachte zo nauw en bewust met een ander had samengewerkt dat het tezamen en in vereniging met een ander handelen kon worden aangenomen.
derde middelbevat de klacht dat het hof in zijn bewijsoverwegingen ten onrechte heeft betrokken dat de verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, nu niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder dit is geoorloofd.
.” [9]
NJ2012/389 de – in de toelichting op het middel min of meer gelijkluidende – opvatting verwierp dat de omstandigheid “dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen (of een bepaalde vraag te beantwoorden) eerst dan door de rechter in de bewijsvoering mag worden betrokken indien sprake is van een 'formidable case', waarmee blijkens de toelichting op het middel beoogd is te zeggen dat pas conclusies uit het stilzwijgen van de verdachte mogen worden getrokken op de voorwaarde dat "de zaak bewijsbaar moet zijn zonder rekening te houden met het stilzwijgen van de verdachte", en dat de rechter expliciet moet vaststellen dat aan die voorwaarde is voldaan.” [11]