Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
tussenbeschikking slechts worden ingesteld tegelijk met een beroep tegen de eindbeschikking (tenzij de rechter die de beschikking heeft gegeven anders heeft bepaald). Indien het beroep is gericht tegen een
deelbeschikking waarin ten aanzien van een deel van het verzochte een einde aan het geding is gemaakt, gaat de beroepstermijn van drie maanden lopen vanaf de dag van de uitspraak (art. 426 lid 1 Rv Pro) [6] .
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel IIklaagt dat de rechtbank in genoemde beschikking in strijd met de in art. 8 Wet Pro Bopz bedoelde hoorplicht heeft gehandeld, omdat de rechtbank niet heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting om te trachten betrokkene daadwerkelijk te bereiken.
Onderdeel IIIvoert aan dat de rechtbank in de genoemde beschikking ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat sprake is van een geestelijke stoornis.
maar niet in een einduitspraak vervatteeindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die beslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen, maakt het voorgaande niet anders. In dit geval gaat het om een partiële einduitspraak, namelijk een gedeeltelijke toewijzing door de rechtbank van de door de officier van justitie verzochte voorlopige machtiging, neergelegd in het dictum van de beschikking van 19 januari 2017. De wet biedt geen mogelijkheid om
bij wijze van voorlopige voorzieningeen machtiging tot vrijheidsbeneming te verlenen. Ik noteer dat een voorlopige voorziening in dit geval door geen van de procespartijen was verzocht. De omstandigheid dat het bepaalde in art. 223 Rv Pro overeenkomstig mag worden toegepast in rekestprocedures [7] brengt naar mijn mening geen verandering in het voorgaande: in de eerste plaats omdat de Wet Bopz (en t.z.t. de Wet verplichte ggz) in dit opzicht als een
lex specialisheeft te gelden die de algemene regel opzij zet [8] en in de tweede plaats omdat de toewijzing van een dergelijke voorlopige voorziening (een rechterlijke machtiging tot vrijheidsbeneming, die niet meer kan worden teruggedraaid) in feite zou neerkomen op een gedeeltelijke toewijzing van het hoofdverzoek. Onderdeel IV leidt om deze redenen niet tot cassatie.