Conclusie
eerste middelklaagt dat de bewezenverklaringen ontoereikend zijn gemotiveerd, aangezien het hof heeft nagelaten met een voldoende mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen aan te geven waaraan het de voor het bewijs redengevende feiten en omstandigheden heeft ontleend en/of heeft nagelaten de inhoud van de bewijsmiddelen in het arrest te vermelden.
tweede middelklaagt, in samenhang met de toelichting, met een beroep op HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3368 – van een persoonlijke dienstbetrekking als bedoeld in art. 322 Sr Pro is sprake “indien iemand werkzaam is in ondergeschiktheid” – dat de bewezenverklaringen onder feit 1 innerlijk tegenstrijdig zijn, aangezien het hof enerzijds heeft vastgesteld dat de verdachte feitelijk bestuurder van [A] B.V. was en anderzijds heeft vastgesteld dat de verdachte in dezelfde periode het verduisterde goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking en dus in ondergeschiktheid onder zich had. Niet wordt betwist dat geldbedragen van de B.V. door de verdachte zijn gebruikt voor privédoeleinden en/of voor doeleinden die niet in relatie stonden met de B.V., zodat daarvan in cassatie dient te worden uitgegaan. Datzelfde geldt eigenlijk ook voor het oordeel van het hof dat de verdachte feitelijk bestuurder was, maar over de begrijpelijkheid van dat oordeel zal ik in randnummer 17 toch nog iets zeggen.
Stb. 1971/286 (i.w.tr. 29 juni 1971). [12] Uiteindelijk is er van afgezien een limitatieve opsomming in de wettekst op te nemen en is volstaan met een algemene bepaling die de rechtsgrond van de strafverzwaring uitdrukt. [13] Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat ook bij de bestuurder van een (besloten) vennootschap heel wel sprake kan zijn van ondergeschiktheid en dat dus deze bestuurder niet buiten het bereik van art. 322 Sr Pro valt. [14]
derde middelklaagt dat in de cassatieprocedure de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro is geschonden omdat het hof de stukken van het geding niet tijdig naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden.