Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat het hof een ter terechtzitting van 2 december 2015 door de (niet-gemachtigde) raadsvrouw van de verdachte gedaan verzoek tot aanhouding ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Hiertoe wordt betoogd dat het hof bij zijn afweging van de van de voor de beoordeling van het aanhoudingsverzoek relevante belangen onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het aanwezigheidsrecht van de verdachte.
[verdachte],
tweede middelkan ik kort zijn. Dit middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het meermaals in vereniging plegen van een poging tot afpersing met de stelling dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte en zijn medeverdachten daadwerkelijk hebben gedreigd met geweld. Nu (i) de als bewijsmiddel 4 gebezigde verklaring van [betrokkene] inhoudt dat één van de verdachten op enig moment bij de barman van een Arnhemse kroeg om de adressen van de slachtoffers vroeg en toen een beweging maakte alsof hij een wapen achter zijn rug wilde pakken en (ii) de als bewijsmiddel 1 en 2 gebezigde verklaringen van de slachtoffers onder meer inhouden dat diezelfde verdachte later naar één van de slachtoffers heeft gebeld en hem heeft gezegd dat hij een geldbedrag van € 7.000,- moest betalen en dat er anders een ‘andere oplossing’ zou volgen, is het oordeel van het hof dat in casu sprake is geweest van bedreiging met geweld – mede in het licht van de uit de bewijsmiddelen 1 en 3 blijkende omstandigheid dat de onder (i) en (ii) genoemde gedragingen verband hielden met een eerdere vechtpartij waarbij de slachtoffers betrokken waren geweest – niet onbegrijpelijk. Ook het tweede middel treft daarom geen doel.