Conclusie
verweersters in cassatie,
Sichem Anne/Margreta(16/04435), waarin heden eveneens conclusie wordt genomen.
1.Feiten en procesverloop
Wisdomop de Oude Maas in aanvaring gekomen met het aan Riad in eigendom toebehorende Nederlandse binnenschip
Riad. Ten gevolge van deze aanvaring is de
Riadmet haar lading ferrochroom gezonken.
Riaden haar lading te bergen gezien het gevaar dat het wrak opleverde voor de scheepvaart. Nadat Riad had geweigerd tot berging over te gaan, heeft de Staat de
Riadbij beschikking van 14 oktober 2008 onder de werking van de Wrakkenwet geplaatst. In opdracht van de Staat heeft bergingsbedrijf GPS Marine Services B.V. de
Riaden haar lading geborgen. De
Riadwerd als totaal verloren beschouwd en het schip is aan een sloopbedrijf verkocht. De lading is afgevoerd naar een terrein van Rijkswaterstaat.
Riaden ELG c.s. als belanghebbende bij de lading ferrochroom verzocht de bergingskosten te vergoeden dan wel voor die kosten zekerheid te stellen. ELG c.s. heeft zekerheid doen stellen door middel van een afroepgarantie ten bedrage van € 600.000,-. Op 7 april 2009 heeft de Staat onder deze garantie betaling verkregen van een bedrag van € 560.790,72.
Wisdom;
Riadis Amasus hoofdelijk aansprakelijk voor de opruimingskosten;
Wisdom. Verder is geoordeeld, voor zover van belang, dat de vordering van ELG c.s. tot verhaal van de door haar aan de Staat betaalde opruimingskosten een vordering is als bedoeld in art. 8:752 lid 1 onderdeel Pro e en e BW, die slechts beperkt kan worden door het stellen van een wrakkenfonds.
2.Algemene inleiding
- limitatiefondsen (2.14-2.15);
- vorderingen uit hulpverlening en avarij-grosse zijn uitgezonderd van beperking (2.16- 2.22);
- voorbehoud van art. 18 LLMC Pro, kosten van wrak- en ladingsopruiming en wrakkenfonds (2.24-2.32);
- regresvorderingen niet uitgezonderd van beperking (2.33);
- verloop van de beperkingsprocedure (2.44).
Tavole Amalfitane. [4] Van daaruit heeft het recht zijn weg gevonden naar andere landen. Aan het einde van de Middeleeuwen bestond het recht in alle Europese, zeevarende landen, met uitzondering van Engeland. [5] Daar werd het pas later, in de loop van de 18e eeuw, aanvaard. [6] In de 19e eeuw is het recht op beperking van aansprakelijkheid van de scheepseigenaar ook in de Verenigde Staten erkend. [7]
De reder mag aan de zee niet meer verliezen dan dat hij eraan heeft toevertrouwd, luidde het adagium.
de facto altijd beperking van aansprakelijkheid zal bestaan’. [16] Net als anderen beschouwt hij het stelsel kennelijk als een gegeven en wordt aanvaard dat dit soms tot onbillijke uitkomsten kan leiden. [17]
Convention on Limitation of Liability for Maritime Claims) en in nationale literatuur ook wel als het Londens Beperkingsverdrag van 1976 of het Verdrag van Londen. De LLMC, dat het vroegere Verdrag van Brussel van 1957 inzake de beperking van aansprakelijkheid van eigenaren van zeeschepen verving, voorziet in de mogelijkheid voor onder meer scheepseigenaren om hun aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen te beperken. De LLMC is voorbereid door het Comité Maritime International (CMI) en is tot stand gekomen bij de International Maritime Organization. De voorbereidende werkzaamheden (
Travaux Préparatoires) zijn te raadplegen via de website van de CMI. [19]
Travaux Préparatoires) en de beschikbare literatuur. [30]
doorwerkzaamheden ter hulpverlening. [48] Het gaat dus niet om (van beperking uitgesloten) vorderingen
uithulpverlening. Dat de hulpverlener zich in het kader van zijn hulpverleningswerkzaamheden op beperking van aansprakelijkheid kan beroepen, blijkt ook uit art. 1, lid 1 LLMC (art. 8:750 lid 1 BW Pro). In art. 1, lid 3 LLMC (art. 8:750 lid 3 BW Pro) is bepaald dat onder ‘hulpverlening’ ook wordt verstaan de in art. 2, onder d, e en f LLMC (art. 8:752, lid 1, onder d, e en f BW) genoemde werkzaamheden of maatregelen, dus het vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van een gezonken, vergaan, gestrand of verlaten schip, daarbij inbegrepen alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden, het verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van de lading van het schip, en het nemen van maatregelen ter voorkoming of vermindering van schade als bedoeld in onderdeel f. Dat betekent dat het hier bedoelde begrip ruimer is dan het begrip hulpverlening van art. 3, aanhef en onder a, LLMC (ar. 8:651 lid 1 BW), in zoverre dat niet vereist is dat het schip in
gevaarverkeert. [49]
rechtstreeksevordering van de hulpverlenende partij op de betrokken scheepseigenaar dan wel op de rechtstreekse vordering tot betaling van een bijdrage in avarij-grosse. [52] De verhaals- of regresvordering, mits deze onder het bereik valt van een van de vorderingen genoemd in art. 2 LLMC Pro, is wél onderhevig aan beperking. [53] Uit de uitspraak van de Engelse Admiralty Court inzake
The Breydon Merchant, waarin geoordeeld werd dat een regresvordering op de scheepseigenaar in verband met de betaling van bluskosten aan derden niet was uitgesloten van beperking, wordt afgeleid dat het niet de aard van de oorspronkelijke vordering uit hulpverlening, maar
de aard van de regresvorderingis die bepaalt hoe de vordering moet worden geclassificeerd en daarmee of deze vatbaar is voor beperking. In
The Breydon Merchantbetekende dit dat de ingestelde vordering tot verhaal van kosten uit hulpverlening niet werd aangemerkt als een (niet te beperken) vordering uit hulpverlening, maar als een (wel te beperken) vordering uit
breach of contract. [54]
kosten van wrak- en ladingsopruiming, zoals de vorderingen in onderdeel d en e kortheidshalve plegen te worden aangeduid, niet onder de werking van de LLMC vallen en derhalve niet beperkt kunnen worden volgens de daarin gegevens regels. Anders dan de voorganger van de LLMC, het Verdrag van Brussel van 1957, vallen onder ‘kosten van wrakopruiming’ niet alleen de uit
wettelijke bepalingenvoortvloeiende verplichting tot wrakopruiming of aansprakelijkheid voor kosten van wrakopruiming begrepen (zie art. 1, lid 1 sub c Verdrag 1957), [58] maar
allevorderingen in verband met wrakopruiming. [59] Daarmee kan ook een regresvordering in verband met kosten van wrakopruiming onder onderdeel d van art. 2 lid 1 LLMC Pro vallen. [60] Dat voor kosten van wrak- en ladingsopruiming op grond van art. 18 LLMC Pro een voorbehoud is gemaakt, betekent echter niet dat voor dergelijke kosten onbeperkte aansprakelijkheid bestaat. Nederland heeft voor deze kosten voorzien in een eigen beperkingsregeling in art. 8:755 lid Pro 1, aanhef en onder b BW, namelijk het wrakkenfonds. Hierin is bepaald dat voor vorderingen als bedoeld in art. 8:752, lid 1, aanhef en onder d of e, BW beperking kan plaatsvinden door het stellen van een wrakkenfonds. De uitleg van de genoemde onderdelen d en e dient de uitleg van de onderdelen d en e van art. lid 1 LLMC te volgen, omdat het gemaakte voorbehoud niet mag ‘uitstulpen’ buiten de door het verdrag getrokken grenzen. [61]
Travaux Préparatoires. [66] Er blijkt juist een bewuste keuze te zijn gemaakt om in de LLMC géén speciale regeling voor vorderingen van overheidslichamen op te nemen. Zo is een Canadees voorstel om in onderdeel d een uitzondering te maken voor kostenverhaal door verdragsstaten, niet overgenomen. [67] Ook een voorstel van de Verenigde Staten om kostenverhaal door ‘public authorities’ in zijn algemeenheid uit te sluiten van beperking door opneming van die vorderingen in art. 3 LLMC Pro, is niet gevolgd. [68] Het gevonden compromis is (slechts) dat verdragsstaten door het maken van het voorbehoud van art. 18 lid 1 LLMC Pro de mogelijkheid wordt geboden om in deze kwestie eigen keuzes te maken. Daarmee is doorslaggevend wat de nationale regeling bepaalt.
met betrekking tothet vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of het onschadelijk maken van een gezonken, vergaan, gestrand of verlaten schip, daarbij inbegrepen alles wat zich aan boord
bevindt of heeft bevonden. Onderdeel e ziet op alle vorderingen met betrekking tot het verwijderen, vernietigen of het onschadelijk maken van de lading van het schip, hetgeen eveneens een ruime omschrijving is. In de
Travaux Préparatoireszijn geen aanwijzingen te vinden dat de omschreven vorderingen op enige wijze beperkt moeten worden opgevat of uitgelegd. De ruime reikwijdte van de handelingen bedoeld in de onderdelen d en e komt ook naar voren in een uitspraak van de Engelse rechter in de zaak
The Aegean Sea, waarin maatregelen tot opruiming van olieverontreiniging alsmede maatregelen ter voorkoming van schade door olieverontreiniging geacht werden te vallen onder art. 2 lid Pro 1, onderdeel d LLMC. [69]
wettelijke bepalingenvoortvloeiende aansprakelijkheid voor wrakopruiming (zie onder 2.24). Tegen die achtergrond is niet geheel duidelijk of met “alle vorderingen terzake van wrakopruiming” inderdaad bedoeld is “ongeacht wie dergelijke vorderingen instelt”, dan wel: “ook als de vordering van een vaarwegbeheerder niet op grond van art. 10 Wrakkenwet Pro plaatsvindt”. Wat hier ook van zij, doorslaggevend zal moeten zijn dat de tekst van de wet de door middel van het stellen van een wrakkenfonds te beperken vordering niet beperkt tot vorderingen van een vaarwegbeheerder.
Als gevolg van het voorbehoud ten aanzien van vorderingenin verband metinterventie, vlottrekken en wrakopruiming blijft de limitering van deze vorderingen beheerst door nationaal recht in plaats van door het Protocol van 1996. (…) Om de situatie ten aanzien van het wrakkenfonds te verhelderen, wordt in artikel 8:755, eerste lid, BW – net als in het huidige artikel 8:755 BW Pro – uitdrukkelijk verwezen naar het wrakkenfonds. (…)Door de voorgestelde wijziging is duidelijk dat naar Nederlands recht voor vorderingen als genoemd in artikel 2, eerste lid, onder d en e (vorderingen uit het lokaliseren, markeren of opruimen van een wrak, bunkerolie of lading) ook na de inwerkingtreding van het Protocol van 1996 blijft gelden dat een afzonderlijk wrakkenfonds moet worden ingesteld ingeval de scheepseigenaar zijn aansprakelijkheid wil beperken.”
van overhedenonbeperkte aansprakelijkheid bestaat. [74] Ook het Verenigd Koninkrijk heeft in zijn nationale regeling bepaald dat het voorbehoud slechts geldt ten behoeve van ‘
harbour or conservancy authorities’; voor vorderingen van deze autoriteiten bestaat onbeperkte aansprakelijkheid. [75] Duitsland heeft een nationale regeling die lijkt op de Nederlandse regeling. [76] Het verschil in nationale regelingen moet voor ogen worden gehouden bij raadpleging van buitenlandse literatuur over art. 18 LLMC Pro.
het onderwerpvan de onderliggende vordering. [77] Dat onderwerp is bepalend voor de vraag of de vordering is onder te brengen onder een van de categorieën a tot en met f van art. 2 LLMC Pro. In feite is de bepaling overbodig, zo merkt Cleton op, omdat deze regel ook al volgt uit de aanhef van lid 1 van art. 2 LLMC Pro (
‘(…) ongeacht de grondslag van de aansprakelijkheid (…)’). [78]
‘(…) alsmede daaruit voortvloeiende schade’) kan een dergelijke vordering worden ondergebracht bij onderdeel a. De vordering zou echter ook bij onderdeel d of e kunnen worden ondergebracht, namelijk volgens de hiervoor beschreven hoofdregel, dat niet bepalend is de rechtsgrond waarop de vordering is ingesteld, maar de aard van het onderwerp waarop de vordering ziet (namelijk: kosten van wrakopruiming). Dit kan problemen oproepen wanneer een verdragsstaat gebruik heeft gemaakt van het voorbehoud van art. 18 LLMC Pro, zoals Nederland heeft gedaan, en voor de vorderingen bedoeld onder d en e een apart regime geldt. Als de vordering valt onder onderdeel a is immers het gevolg dat aansprakelijkheid beperkt kan worden door het stellen van een zakenfonds. Als de vordering daarentegen onder onderdeel d of e wordt ingedeeld, loopt zij mee met het toepasselijke bijzondere regime. Dat laatste betekent in Nederland dat beperking slechts kan plaatsvinden door het stellen van een wrakkenfonds. Daarmee rijst de vraag hoe een dergelijke regresvordering moet worden gekwalificeerd.
lex specialisworden gezien, waaraan voorrang dient te worden gegeven. In de tweede plaats wijzen Griggs e.a. op het uitgangspunt dat niet de rechtsgrond, maar het onderwerp van de vordering bepalend is voor de vraag of aansprakelijkheid beperkt kan worden. Het derde argument, dat hierbij aansluit, houdt in dat in de eerste volzin van art. 2, lid 2 LLMC expliciet is neergelegd dat ook als een vordering bij wijze van verhaal wordt ingesteld, de in het eerste lid genoemde vorderingen vatbaar zijn voor beperking.
The Breydon Merchantwerd aangenomen dat een vordering tot verhaal van kosten uit hulpverlening niet van beperking is uitgesloten en op zijn eigen merites moet worden beoordeeld (zie onder 2.22), ook voor een vordering tot verhaal van kosten van wrakopruiming geldt dat deze geclassificeerd dient te worden naar zijn eigen aard, los van de oorspronkelijke vordering:
'recourse or indemnity claims in relation to paragraphs (a) and (b) above'(waarbij (a) verwijst naar de toepassing van de onderdelen d en e). [85]
The Breydon Merchantvoor regresvorderingen ten aanzien van kosten van hulpverlening, gaat naar mijn mening mank. In de eerste plaats omdat voor
hulpverleningeen specifieke bepaling is opgenomen in art. 3, aanhef en onder a, LLMC, waarvan de ratio is te voorkomen dat een belemmering zou ontstaan voor het verlenen van hulp aan een in gevaar verkerend schip; díe ratio bestaat niet voor de regresvordering terzake van hulpverlening (de hulp is dan immers reeds verleend). Tegen die achtergrond is dan begrijpelijk dat geoordeeld wordt dat de regresvordering autonoom moet worden beoordeeld. Een dergelijke specifieke ratio geldt niet voor een vordering van kosten uit wrakopruiming, waarmee het uitgangspunt reeds onvergelijkbaar is. In de tweede plaats wordt eraan voorbijgegaan dat art. 2, zowel in de aanhef van lid 1 als in de eerste volzin van lid 2, expliciet bepaalt dat de in lid 1 genoemde vorderingen vatbaar zijn voor beperking, ongeacht de grondslag van de aansprakelijkheid en al dan niet bij wijze van verhaal. Dit staat niet in art. 3 LLMC Pro.
Travaux Préparatoires. Ik zie dan ook geen aanknopingspunten om zijn standpunt te volgen.
voorproceduretot vaststelling van het bedrag of de bedragen van de beperkte aansprakelijkheid en de wijze van fondsstelling (art. 642a-642f Rv). Vervolgens vindt de
verificatieprocedureplaats (art. 642g-642u). Indien de rechter-commissaris in geval van betwisting van een vordering of van een beroep op beperking van aansprakelijkheid er niet in slaagt partijen en de schuldenaar ter zitting te verenigen, verwijst hij hen naar een zitting van de rechtbank ter beslissing van het punt van geschil, de renvooiprocedure (art. 642q en 642r Rv). Ten slotte vindt op basis van een staat van verdeling aan de geverifieerde schuldeisers
uitbetalingplaats van het hun toekomende bedrag (art. 642v en 642w Rv). Art. 642y Rv bepaalt tegen welke beslissingen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Art. 642z Rv houdt in dat de kosten van de beperkingsprocedure ten laste van de schuldenaar komen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Riad, onder het bereik van art. 2 lid Pro 1, onderdeel d LLMC vallen. Dat betekent dat de regresvordering ter zake van de berging van het schip in ieder geval in het wrakkenfonds kan worden ingediend (rov. 10.1).
Travaux Préparatoiresdat beoogd is dat het voorbehoud alleen op dergelijke vorderingen ziet. Ook voor de Nederlandse invulling van het voorbehoud, dat is neergelegd in art. 8:755 lid Pro 1, aanhef en onder b, BW, geldt dat daaruit niet blijkt dat het voorbehoud uitsluitend betrekking heeft op vorderingen van vaarwegbeheerders. Dit kan ook niet uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid. Nu ook de onderdelen d en e van art. 8:752 lid 1 BW Pro, waarnaar art. 8:755 lid 1 onder Pro b, BW verwijst, niet inhouden dat het bij de daar bedoelde vorderingen uitsluitend gaat om vorderingen van vaarwegbeheerders of andere publieke lichamen, volgt ook daaruit dat het gemaakte voorbehoud betrekking heeft op alle vorderingen in verband met werkzaamheden als omschreven in die onderdelen, ongeacht door wie de vordering is ingesteld. Dit laatste is overeenkomstig de uitleg die moet worden gegeven aan het in dezen leidende art. 2 lid Pro 1, onderdelen d en e LLMC.
overheden(waarvoor in sommige verdragsstaten onbeperkte aansprakelijkheid bestaat), maakt het voorgaande niet anders (zie onder 2.332). [89] Daarmee faalt het onderdeel.
onderdelen 2.2-2.4keren zich tegen de rov. 9.7-10.4, zoals hiervoor weergegeven in 3.1 onder (v) tot en met (viii). In de kern wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat in het onderhavige geval geen sprake was van wrakopruimingskosten, maar van avarij-grosse/hulpverlening, in elk geval ten aanzien van de lading. Op grond van art. 3, aanhef en onder a, LLMC zijn de regels van de LLMC niet van toepassing op vorderingen uit hoofde van hulpverlening of wegens bijdrage in avarij-grosse.
Riaden haar lading, dat de lading ferrochroom na lossing nog een aanzienlijke waarde had en dat het schip als een
total lossmoest worden aangemerkt, en dat avarij-grosse uitsluit dat sprake is van wrakopruiming.
regresvorderingvan Amasus. Daarmee is hoe dan ook geen sprake van een vordering wegens bijdrage in avarij-grosse in de zin van art. 3, onder a LLMC (dan wel een vordering uit hoofde van hulpverlening). Hoe de regresvordering moet worden gekwalificeerd, zal zelfstandig moeten worden beoordeeld, los van de aard of de grondslag van de oorspronkelijke vordering, aan de hand van het onderwerp van de regresvordering. Op grond van die kwalificatie moet worden beoordeeld of de regresvordering zich leent voor beperking.
Riadten tijde van het nemen van de maatregelen door GPS Marine Services reeds was gezonken (zie de feiten vermeld onder 1.1). Dat betekent dat zij niet meer voor een gevaar kon worden behoed, hetgeen een vereiste is voor avarij-grosse (zie onder 2.21). De reder van de
Riaden ladingbelanghebbenden hebben elkaar ook nimmer aangesproken tot betaling van bijdragen in avarij-grosse.
onderdeel 2.3houdt in dat het hof de regresvordering ten aanzien van de bergingskosten ten onrechte in zijn geheel heeft aangemerkt als een vordering in de zin van art. 2 lid Pro 1, onderdelen d en/of e LLMC. Volgens het onderdeel moet ervan uit worden gegaan dat de lading ten tijde van de berging nog een grote economische waarde vertegenwoordigde, en dat die lading dus niet is verwijderd, vernietigd of onschadelijk gemaakt in de zin van de genoemde bepalingen, maar is geborgen. Ten aanzien van de lading zou dan ook geen sprake zijn geweest van wrakopruiming, maar van hulpverlening. De regresvordering ter zake van hulpverlening laat zich volgens het onderdeel beperken op de voet van art. 2 lid Pro 1, onderdeel a LLMC.
claims in respect of the raising, removal, (..) of a ship which is sunk, wrecked, stranded or abandoned”) en de omstandigheid dat de
Riadmet draaiende motor gezonken, nadat zij midscheeps was overvaren en de bemanning had het schip moeten verlaten, hangend aan de reddingsboot die al dreef, is juist. Noch uit de tekst van art. 2 lid Pro 1, onderdelen d en/of e LLMC noch uit die van art. 8:752 lid Pro 1, onderdelen d en/of e BW blijkt dat bij deze beoordeling van belang zou zijn of de lading nog een economische restwaarde heeft. Ook overigens zijn er geen aanknopingspunten voor die gedachte. Hetzelfde geldt voor het door Amasus ingenomen standpunt dat de handelingen waarop de regresvordering ziet zouden moeten worden gesplitst in een scheepsdeel en een ladingdeel.
Riadonder de Wrakkenwet heeft geplaatst, die oordelen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting omdat die omstandigheid niet zonder meer meebrengt dat sprake is van wrakopruiming, en niet van hulploon of avarij-grosse.
Riadonder de Wrakkenwet heeft geplaatst. Zoals gezegd diende het hof te beoordelen of de regresvordering betrekking heeft op een handeling als bedoeld in art. 2 lid Pro 1, onderdelen d en/of e LLMC. Dat is ook wat het hof gedaan heeft, met als conclusie dat dit het geval is (zie hiervoor onder 3.1, vi, vii en viii).
raising and removal”) van schip en lading (rov. 14.2);
onderdeel 3.3dat het oordeel van het hof in rov. 15 (zie hiervoor in 3.16 onder b) getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof de maatstaf van art. 2 lid Pro 1, onder d en e LLMC hiermee invult aan de hand van art. 6:96 lid 2 aanhef Pro en onder a BW. Volgens het onderdeel moet, zoals het hof eerder met juistheid heeft overwogen, verdragsautonoom worden bepaald welke betekenis art. 2 lid Pro 1, onderdelen d en e LLMC heeft.
nade berging zijn uitgevoerd, dat Amasus heeft betwist dat dit wrakopruimingskosten zijn, omdat de
Riadtoen al was vlotgebracht in de zin van art. 2 lid Pro 1, onder d LLMC. [94] Het onderdeel stelt dat ELG c.s. deze post niet nader heeft toegelicht, terwijl zonder (nadere) toelichting niet duidelijk is dat die werkzaamheden verband houden met wrakopruiming. Volgens het onderdeel is aannemelijker dat de kosten verband houden met het veiligstellen van de waarde van de lading. [95]
in respect of”) laten toe dat ook nadien gemaakte kosten onder omstandigheden voor vergoeding in aanmerking komen. Dat dit het geval is, blijkt ook uit de bewoordingen van art. 2 lid Pro 1, aanhef en onder d, LLMC: “
claimsin respectof the raising, removal, destruction or the rendering harmless of a ship (…), including anythingthat is or has beenon board such ship”. Daarbij komt dat het hof heeft overwogen (zie hiervoor in 3.16 onder c), dat de eigenlijke berging pas was beëindigd toen de lading was overgeslagen op Vulcaanhaven, en dat de eerdere locatie, Duivelseiland, slechts tijdelijk was, derhalve na het vlotbrengen van het schip. Dit oordeel is in cassatie niet bestreden.
Riadop de ponton, het vervoer van de lading, het schoonmaken van de duwbak [98] , het lossen van de auto [99] en de 10% verhoging [100] wrakopruimingskosten zijn, en dat ELG c.s. deze posten niet nader heeft toegelicht, terwijl zonder (nadere) toelichting niet duidelijk is waarom die kosten verband houden met en ook nodig waren in het kader van wrakopruiming.