Conclusie
eerste middelkeert zich tegen het oordeel van het hof dat ten grondslag is gelegd aan de verwerping van het verweer dat het verhoor van [betrokkene 2] moet worden uitgesloten van het bewijs nu hij niet op ondubbelzinnige wijze afstand heeft gedaan van het consultatierecht.
2.0. Het verhoor
kennelijk(cursivering van mij, EH) een zogenoemde “hypo” had als gevolg van een sterke daling van de bloedsuikerspiegel. Uit dat verweer, en ook uit de andere stukken van het geding voor zover deze in cassatie voorhanden zijn, blijkt echter niet dát [betrokkene 2] in het verband van het verhoor op 8 september 2009 ook werkelijk (feitelijk) een hypo heeft gehad, ook al wordt daar op enig moment in het verweer gemakshalve maar van uitgegaan. In andere woorden: niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene 2] toen (in medisch en juridisch opzicht) een zogenoemde “kwetsbare verdachte” was en derhalve evenmin dat daardoor zijn opmerking – dat hij geen behoefte aan overleg met zijn advocaat had als deze op zitting stond – niet als een ondubbelzinnige afstandsverklaring van zijn consultatierecht mocht worden aangemerkt.
tweede middelkomt met twee klachten op tegen de bewezenverklaring van het opzet van de verdachte en ’s hofs verwerping van het beroep op een “pleitbaar standpunt”.
[betrokkene 1]
NJ2016/375 onder meer het volgende leert:
NJ2012/176 waarin de strafkamer in zijn overweging een subjectieve toetsingsmaatstaf heeft aangelegd:
NJ2012/176. Aldus bezien ben ik (vooralsnog) van mening dat het bestreden oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.
NJ2016/375 in aanmerking genomen, in die zin dat de gedragingen die betrekking hebben op het doen van de aangiften als bedoeld in de AWR redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend, nu deze hebben plaatsgevonden dan wel zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon, hetgeen overigens in de cassatieschriftuur niet wordt bestreden.