Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
primair: de Gemeente ex art. 3:299 BW Pro machtiging te verlenen om op kosten van BMV 23 bouwtitels te kopen bij de Ruimte voor Ruimte C.V., teneinde te kunnen voldoen aan de RvR-regeling;
détournement de pouvoir, heeft de rechtbank verworpen (rov. 4.2 en 4.3). Volgens de rechtbank heeft BMV zich niet slechts verplicht tot het slopen van stalruimte en het uit de markt (doen) halen van de fosfaatrechten, maar ook tot het bewerkstelligen dat de milieuvergunningen van de betreffende locaties worden ingetrokken en de ingebrachte locaties worden herbestemd. Op die grond is de sub I gevorderde verklaring voor recht toegewezen (rov. 4.6 en rov. 5.1). De rechtbank overwoog voorts dat tussen partijen niet in geschil is dat BMV niet (volledig) aan haar verplichtingen heeft voldaan, op welke grond de onder sub II gevorderde verklaring voor recht is toegewezen (rov. 4.7 en 5.2). De sub III primair gevorderde machtiging ex art. 3:299 lid 1 BW Pro heeft de rechtbank niet toewijsbaar geacht, nu de rechtbank de Gemeente gelet op art. 3:299 lid 1 BW Pro slechts kan machtigen om te verrichten waartoe BMV gehouden was, en nakoming door BMV niet zou hebben geleid tot de koop van 23 bouwtitels bij de Ruimte voor Ruimte C.V. (rov. 4.8). Volgens de rechtbank kon de sub III subsidiair gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure wel worden toegewezen, omdat het bestaan of de mogelijkheid van schade aannemelijk is (rov. 4.10). De daarbij gevorderde wettelijke rente en uitvoerbaarverklaring bij voorraad is niet toegewezen (rov. 5.6 in verbinding met rov. 5.3). Tot slot heeft de rechtbank BMV veroordeeld in de proces- en beslagkosten (rov. 5.4 en 5.5) [12] .
Het ‘Pact van Brakkenstein’) dat de RvR-regeling een uitvloeisel is van het Pact van Brakkenstein over de verdere aanpak van de mestproblematiek en dat met de RvR-regeling de vermindering van het mestoverschot een forse impuls krijgt en verder is in de RvR-regeling ook een verwijzing naar het Pact van Brakkenstein opgenomen (zie rov. 3.1.3 van het tussenarrest, onder punt 14). Maar uit de overgelegde stukken over de RvR-regeling en de tijdens de comparitie zijdens de Gemeente en de Provincie gegeven toelichting is genoegzaam gebleken dat de in het kader van de RvR-regeling aan een ‘initiatiefnemer’ (een burger die of een bedrijf dat gebruik wil maken van deze regeling) gestelde voorwaarden voornamelijk een ruimtelijke ordeningsbelang dienen. Het hof verwijst naar punt 1 en 2 van de RvR-regeling, waaruit voortvloeit dat in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen, woningen mogen worden gebouwd in afwijking van het woningbouwprogramma (zoals het project Veilig Oord Bladel). Het gaat er bij de RvR- regeling met name om een ruimtelijke kwaliteitsverbetering in provincie Noord-Brabant te bewerkstelligen in de vorm van de (definitieve) beëindiging van veehouderijbedrijven in het buitengebied. Vooral in dit kader moet de voorwaarde worden gezien dat (ook) de milieurechten van de agrarische activiteit ter plaatse moeten zijn ingeleverd (zie punt 11 van de RvR-regeling).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1) en het oordeel in rov. 6.8 dat een onaanvaardbare doorkruising van het stelsel van kostenverhaal zoals neergelegd in de WRO en de Gemeentewet zich niet voordoet, omdat van enige financiële verplichting geen sprake is (
onderdeel 2). Gegrondbevinding van één of meer van de klachten zou volgens BMV meebrengen dat ook de rov. 6.9-6.18 en het dictum geen stand kunnen houden (
onderdeel 3).
financiëlevoorwaarde en dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake is [21] . Voor zover zij daarmee ingang wil doen vinden dat dit vereiste alleen voor financiële voorwaarden geldt, lijkt die opvatting mij te beperkt. Ook voor voorwaarden van andere aard geldt dat de reden om de voorwaarde op te nemen moet overeenkomen met het doel waarvoor de betrokken bestuursbevoegdheid is toegekend.
het enkele feitdat in het Streekplan planologische medewerking aan woningbouw afhankelijk wordt gesteld van de eliminatie van stallen en milieurechten ergens in de provincie Noord-Brabant. Voor het hof is doorslaggevend geweest dat de RvR-regeling een provinciale regeling is, waarbij het gaat om verbetering van de ruimtelijke kwaliteit vanuit provinciaal perspectief.
provinciaalniveau. Dat neemt echter niet weg dat art. 19 WRO Pro in de weg staat aan een financiële voorwaarde waarmee niet een rechtstreekse bijdrage wordt geleverd aan de doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vrijstelling berust. De gedachte dat een gemeente door toepassing van de RvR-regeling uit oogpunt van ruimtelijke ordening
per saldowinst boekt, lijkt mij slechts dan op te gaan indien die winst ook het planologische territoir betreft waarvoor de betrokken gemeente verantwoordelijk is. Door tegenover de sloop van stalruimte, elders in de provincie, woningbouw in haar buitengebied toe te staan, wordt de betrokken gemeente, wier vrijstellingsbevoegdheid in het geding is, er in planologisch opzicht niet (per saldo) beter van, maar alleen maar slechter. Voor de opvatting dat de toepassing door een gemeente van haar bevoegdheden op grond van de WRO
haarplanologische belangen moet dienen, kan worden gewezen op het arrest
Alkemade/Hornkamp [25] , waarin de Hoge Raad overwoog dat
‘dat de bevoegdheden die de WRO aan de gemeente verleent, alleen strekken tot de behartiging van haar planologische belangen’. Daarbij past echter wel de kanttekening dat de Hoge Raad in dat arrest de met de gemeentelijke bevoegdheden te behartigen belangen niet zozeer in territoriaal opzicht, als wel naar hun aard heeft beperkt. Waar het de Hoge Raad blijkens het vervolg van het arrest om ging, was de tegenstelling tussen planologische belangen en het belang van de door de betrokken gemeente gewenste woonruimteverdeling (…).”
Alkemade/Hornkampaldus worden begrepen dat de Hoge Raad met
“haar planologische belangen”(dat wil zeggen: de planologische belangen van de betrokken gemeente) niet heeft beoogd de met de gemeentelijke bevoegdheden te behartigen belangen in
territoriaalopzicht, maar slechts
naar hun aardte beperken, en dat een dergelijke beperking ook in overeenstemming is met de WRO, waarin het gemeentelijke bestemmingsplan niet slechts tot verwezenlijk van gemeentelijk planologisch beleid, maar, waar nodig, ook tot verwezenlijk van provinciaal planologisch beleid en van planologisch rijksbeleid strekte. Naar ik (in zoverre in afwijking van de geciteerde conclusie) thans meen, behoeft het feit dat het planologische voordeel van een door een gemeente aan haar planologische medewerking verbonden voorwaarde niet binnen het territoir van de betrokken gemeente, maar elders in de betrokken provincie wordt gerealiseerd, niet aan doelgebondenheid van die voorwaarde in de weg staan, met name niet indien die voorwaarde voortvloeit uit vigerend provinciaal planologisch beleid dat voor zijn verwezenlijking van planologische medewerking van de gemeenten afhankelijk is. Ik licht dat als volgt toe.
“Brabant in Balans”(hierna: het Streekplan). In het Streekplan wordt (op p. 130-132) de inhoud van de RvR-regeling in een veertiental punten omschreven. Als doel van de regeling wordt aangegeven dat de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd door in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn of waren voor de intensieve veehouderij, de bouw van woningen
“op passende locaties”toe te staan, zulks in afwijking van de programmering voor de woningbouw of, indien nodig, in afwijking van de beleidslijnen voor zuinig ruimtegebruik of de regel dat geen burgerwoningen aan het buitengebied mogen worden toegevoegd. Volgens het Streekplan behoefden de extra woningen niet noodzakelijkerwijs te worden gebouwd op de door de sloop van stallen vrijgekomen ruimte. Dat ligt reeds besloten in de omschrijving volgens welke de regeling inhoudt dat de bouw van woningen
“op passende locaties”wordt toegestaan. In een afzonderlijk kader (op p. 130 van het Streekplan) wordt bevestigd dat de compensatiewoningen niet op de door sloop van stallen verkregen ruimte behoeven te worden gerealiseerd en dat daarvoor ook de gemeentelijke grenzen niet bepalend zijn. Het Streekplan vermeldt:
Sloop in Midden- en Oost-Brabant, bouwen in heel Brabant
“Een streekplan strekt tot grondslag aan aanwijzingen als bedoeld in artikel 37, vijfde lid (…)”respectievelijk
“(…) kunnen gedeputeerde staten (…) aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een bestemmingsplan. Deze aanwijzingen moeten hun grondslag vinden in of redelijkerwijs voortvloeien uit een streekplan of het provinciaal ruimtelijk beleid, voorzover dat is neergelegd in een besluit van provinciale staten (…).”). Voorts diende het streekplan meer in het algemeen als toetsingskader bij de (in art. 28 lid 1 WRO Pro voorgeschreven) goedkeuring van gemeentelijke bestemmingsplannen door gedeputeerde staten [27] . Bij de beoordeling van bestemmingsplannen door gedeputeerde staten vormde de toetsing van het betrokken bestemmingsplan aan een eventueel streekplan, vooral indien dit recent was vastgesteld en in het bijzonder wanneer dit concrete beleidsbeslissingen bevatte, een belangrijke factor [28] .
“het doel van de regeling”. Volgens het onderdeel betreft de relevante publiekrechtelijke bevoegdheid hier de vaststelling respectievelijk de goedkeuring van een bestemmingsplan. Volgens het onderdeel (derde alinea, in fine) brengt het vereiste van doelgebondenheid van de voorwaarde of verplichting bij de vaststelling respectievelijk goedkeuring van een bestemmingsplan mee
“dat de voorwaarde of verplichting betrekking moet hebben op dit bestemmingsplan als zodanig dat in woningbouw voorziet, en niet op ruimtelijke ordeningsdoelstellingen op andere locaties elders in de provincie.”
doelvan de regeling (de WRO en meer in het bijzonder de bepalingen die het bestemmingsplan betreffen) zou voortvloeien dat een aan de vaststelling respectievelijk goedkeuring van een bestemmingsplan te verbinden voorwaarde of verplichting slechts op het desbetreffende bestemmingsplan als zodanig betrekking kan hebben, kan ik niet volgen. Uit art. 10 lid 1 WRO Pro vloeit voort dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan,
“voor zover dit ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening nodig is, de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en zo nodig, in verband met de bestemming, voorschriften worden gegeven omtrent het gebruik van de in het plan begrepen grond en de zich daarop bevindende opstallen. (…)”. Doel van de regeling is
“een goede ruimtelijke ordening”. De doelstelling van
“een goede ruimtelijke ordening”blijkt ook uit de regeling van de vereiste goedkeuring van gedeputeerde staten in art. 28 WRO Pro (zie lid 2, in fine:
“De goedkeuring kan worden onthouden indien de ingebrachte bedenkingen daartoe aanleiding geven dan wel wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.”). De te beantwoorden vraag lijkt mij daarom te zijn of de betrokken voorwaarde of verplichting redelijkerwijs nodig is om de doelstelling van
“een goede ruimtelijke ordening”in de zin van art. 10 lid Pro 1 (en art. 28 lid Pro 2) WRO te realiseren.
“een goede ruimtelijke ordening”in de zin van art. 10 WRO Pro slechts zou zien op het
binnen het (gemeentelijke) plangebiedte verwezenlijken resultaat. Op een degelijke beperking zou kunnen wijzen dat het doel van een bestemmingsplan in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel dat uiteindelijk tot de WRO leidde, als volgt is omschreven [30] :
“(a)lle desiderata op planologisch beleid”, in de eerste plaats die van het planologische beleid van de gemeente zelf, maar ook de desiderata van het planologische beleid van de provincie en het Rijk, voor zover dat provinciale en nationale beleid van door de gemeente te treffen planologische maatregelen afhankelijk is. In zoverre bevestigt de memorie van toelichting wat reeds uit de hiervóór (onder 3.9-3.11) opgenomen analyse van de WRO bleek: een gemeentelijk bestemmingsplan behoeft zich niet te beperken tot het realiseren van een goede ruimtelijke ordening
binnen het plangebied, maar kan (en moet onder omstandigheden) ook bijdragen aan de verwerkelijking van doelstellingen van provinciaal en nationaal planologisch beleid dat op een goede ruimtelijke ordening op provinciaal c.q. nationaal niveau is gericht en dat voor die verwerkelijking van op gemeentelijk niveau te nemen planologische maatregelen afhankelijk is. Dat de RvR-regeling provinciaal planologisch beleid vormt, staat tussen partijen vast. Evenzeer staat vast dat het provinciale ruimtelijke beleid inhoudt dat tegenover de sloop van stallen in de zogenaamde reconstructiegebieden Midden- en Oost-Brabant (ook) elders in de provincie woningbouw kan worden toegestaan, zelfs buiten die reconstructiegebieden. Dat de provincie Noord-Brabant niet heeft beoogd dat de bouw van (een) compensatiewoning(en) noodzakelijkerwijs in dezelfde gemeente dient plaats te vinden als die waarin de daarmee verband houdende sloop van stallen is verricht, ligt ook alleszins voor de hand, omdat een dergelijke eis wel bijzonder weinig ruimte voor toepassing van de RvR-regeling zou hebben gelaten en het provinciaal beleid ter zake illusoir zou hebben gemaakt [34] . Waar het provinciaal beleid erop is gericht compenserende woningbouw, overal in de provincie, zelfs buiten de reconstructiegebieden Midden- en Oost-Brabant, toe te staan (zie hiervoor onder 3.8: “
Sloop in Midden- en Oost-Brabant, bouwen in heel Brabant”), vergt de verwerkelijking van dit provinciale beleid dat Brabantse gemeenten in voorkomend geval compenserende woningbouw planologisch mogelijk maken, ook zonder dat binnen de gemeentegrenzen voor de RvR-regeling in aanmerking komende stallen (kunnen) worden gesloopt. Bij die stand van zaken faalt de klacht dat het hof, met het oog op de doelgebondenheid van de van BMV verlangde medewerking aan de RvR-regeling, het verband tussen het slopen van stallen en het plan Veilig Oord ten onrechte op provinciaal (en niet op gemeentelijk) niveau heeft beoordeeld. Dat de Gemeente de totstandkoming van het bestemmingsplan “Uitbreiding Veilig Oord” hiervan afhankelijk heeft gesteld of ten behoeve van de door BMV beoogde toepassing van de RvR-regeling (eventueel - mede - door de sloop van stallen buiten de Gemeente) aan de voorwaarden zoals geformuleerd in het Streekplan Noord-Brabant 2002
“Brabant in Balans”zou worden voldaan, was redelijkerwijs nodig ter uitvoering van de op een goede ruimtelijke ordening in de provincie Noord-Brabant gerichte RvR-regeling, die van het Streekplan en daarmee van het provinciale planologische beleid onderdeel vormde. Aan de eis van doelgebondenheid was daarom, anders dan het onderdeel verdedigt, wel degelijk voldaan.
a fortioriworden aanvaard dat de bouw van compensatiewoningen ook kan worden toegestaan op een andere locatie binnen de Gemeente dan die van de te slopen stallen. Nog daargelaten dat de voorgeschreven gezamenlijke oppervlakte van de te slopen stallen van 1.000 m2 per compensatiewoning veelal zal berusten op een saldering van
meerderelocaties met een ondergrens van 200 m2 en als gevolg van die saldering veelal niet van één vrijgekomen aaneengesloten perceel van 1.000 m2 voor de bouw van een compensatiewoning sprake zal zijn, zal de als gevolg van het slopen van de stallen vrijgekomen ruimte uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijkerwijs de meest geschikte zijn voor de bouw van de compensatiewoning. Een goede ruimtelijke ordening, ook binnen de gemeentegrenzen, kan juist vorderen dat de compensatiewoning op een andere en uit oogpunt van ruimtelijke ordening méér passende locatie dan die van de gesloopte stallen wordt toegestaan.
nietals doelgebonden voorwaarde of verplichting voor het planologisch toestaan van de bouw van een compensatiewoning binnen de gemeente kan gelden, meen ik dat van doelgebondenheid in elk geval wél sprake is, als de te slopen kassen en de compensatiewoning weliswaar binnen de betrokken gemeente maar op verschillende locaties zijn gelegen. Tegen die achtergrond betwijfel ik overigens of bij juistheid van de hypothese dat doelgebondenheid zou ontbreken indien gemeentelijke medewerking aan het realiseren van (een) compensatiewoning(en)
binnende gemeente van sloop op locaties
buitende gemeente afhankelijk wordt gesteld, de door rechtbank en hof aangenomen bevoegdhedenovereenkomst door nietigheid (art. 3:40 BW Pro) zou worden getroffen en of in dat geval BMV voldoende belang bij de klachten van het onderdeel heeft.
buitende gemeentegrenzen stallen zou (laten) slopen. Zou BMV, ter voldoening aan de voorwaarden van de provinciale regeling, zich uitsluitend op binnen de gemeentegrenzen gesloopte (en voor toepassing van de RvR-regeling in aanmerking komende) stalruimte hebben beroepen, zou(den) de Gemeente (en de Provincie) dat stellig hebben geaccepteerd.
binnende gemeentegrenzen, valt niet in te zien waarom nietigheid van een bevoegdhedenovereenkomst zou moeten worden aangenomen, indien die overeenkomst niet specifiek tot de sloop van stalruimte
buitenhet gemeentelijke territoir verplicht. In de hypothese dat de sloop van stallen buiten de gemeentegrenzen niet kan worden gerekend tot het belang van een goede ruimtelijke ordening dat de gemeente dient te behartigen, zou de gemeente hooguit kunnen worden verweten het belang van een goede ruimtelijke ordening niet naar behoren te dienen door de van haar verlangde planologische medewerking mede op basis van de sloop van stallen buiten haar grenzen te verlenen. Aan de (in die hypothese tot de sloop van stallen binnen de gemeentegrenzen beperkte) verplichtingen van de initiatiefnemer doet dat echter niet af, ook niet als er binnen de gemeentegrenzen onvoldoende stalruime voorhanden zou zijn om het beoogde initiatief te realiseren. Een strikte opvatting van de gemeentelijke bevoegdheden zou dan impliceren, dat de gemeente de van haar verlangde medewerking überhaupt niet kan verlenen en dat het slechts van (een weliswaar met het door de gemeente te behartigen ruimtelijke-ordeningsbelang strijdige) welwillendheid jegens de initiatiefnemer zou getuigen, indien de gemeente buiten haar grenzen gesloopte stalruimte niettemin in aanmerking zou nemen. Ik zie niet in dat en waarom art. 3:40 BW Pro in die hypothese nietigheid met zich zou brengen van de bevoegdhedenovereenkomst die niet specifiek tot de sloop van stalruimte
buitenhet gemeentelijke territoir verplicht, althans dat een dergelijke nietigheid mede zou gelden voor de zonder enig voorbehoud gegeven garantie van de initiatiefnemer dat hij aan de voorwaarden van de RvR-regeling zal voldoen.
“Toepassing provinciale beleidsregel Ruimte voor Ruimte 2006. Aankoop zogenaamde ‘bouwtitel’ als voorwaarde voor positieve bestemming”is voorzien. De Afdeling overwoog daarin onder meer:
Windmill-doctrine [40] speelt een mogelijke ontoelaatbare doorkruising van een bepaalde wettelijke regeling in het bijzonder een rol in verband met de vraag of het is toegestaan het beoogde resultaat niet door het volgen van de door die regeling geboden (publiekrechtelijke) weg, maar langs privaatrechtelijke weg na te streven. Daarbij moet onder meer worden gelet op inhoud en strekking van de regeling (die mede kan blijken uit haar geschiedenis) en op de wijze waarop en de mate waarin in het kader van die regeling de belangen van de burgers zijn beschermd, een en ander tegen de achtergrond van de overige geschreven en ongeschreven regels van publiek recht. Van belang is voorts of de overheid door gebruikmaking van de publiekrechtelijke regeling een vergelijkbaar resultaat kan bereiken als door gebruikmaking van de privaatrechtelijke bevoegdheid, omdat, zo zulks het geval is, dit een belangrijke aanwijzing is dat geen plaats is voor de privaatrechtelijke weg [41] .
“er bij een sloopvoorwaarde (weliswaar) geen fysiek/giraal betalingsverkeer plaats(vindt), maar de facto wordt er wel betaald. Er vindt immers betaling in natura plaats (waarbij een vermogensbestanddeel wordt opgegeven) teneinde tot een ruimtelijk verantwoord resultaat te komen.” [48] Indien die opvatting - anders dan ik meen - voor juist moet worden gehouden, kan dat BMV niet baten, overigens óók niet in de ogen van De Groot [49] . ’s Hofs (impliciete) oordeel dat van kostenverhaal geen sprake is, geldt ook dan onverkort. Aan de slotsom dat van een onaanvaardbare doorkruising van het stelsel van kostenverhaal geen sprake is, zou de juistheid van die opvatting dan ook niet afdoen.