Conclusie
( [1] )In beide procedures spelen een belangrijke rol drie tussen deze procespartijen gesloten overeenkomsten, die betrekking hebben op, kort gezegd, (a) de aanvoer door verweerster in cassatie (hierna: Stedin) van elektriciteit ten behoeve van eiseres tot cassatie (hierna: Chemours), (b) de vaststelling van de eigendom van twee transformatoren, die deel uitmaken van een net van kabels waarover de elektriciteit wordt getransporteerd maar die tevens staan op aan Chemours in eigendom toebehorende grond, en (c) de verhuur door Stedin aan Chemours van die transformatoren met inbegrip van het onderhouden van de transformatoren. Laatstgenoemde betwist de geldigheid van de drie overeenkomsten. Zij vordert in de procedure, waarop de zaak 16/03552 betrekking heeft, een verklaring voor recht dat de drie overeenkomsten in strijd met de wet zijn. Het geschil in de procedure van de onderhavige zaak spitst zich meer toe op vraag of Chemours jegens Stedin gehouden is tot nakoming van de in de verhuur-overeenkomst opgenomen verplichting om aan Stedin een recht van opstal met betrekking tot de transformatoren te verstrekken. Nu de twee procedures tussen dezelfde proce-partijen zijn gevoerd, iedere partij in beide procedures stellingen van gelijke inhoud en strekking heeft betrokken, in de in beide procedures uitgesproken en bestreden arresten oordelen van gelijke inhoud en strekking voorkomen, die in cassatie ten dele met gelijke klachten worden bestreden, en die procedures ook overigens nauw met elkaar zijn verweven, bestaat er aanleiding en is er, naar het voorkomt, rechtens ook ruimte om bij de beoordeling van het in de onderhavige zaak ingestelde cassatieberoep mede rekening te houden met wat er in de procedure van de andere zaak naar voren is gebracht en is beslist.
1.Feiten en procesverloop
- i) De twee transformatoren zijn in 1970 op aan Chemours toebehorende grond geplaatst door de Gemeente Dordrecht, die toen nog voor de distributie van de elektriciteit zorg droeg. Dit gebeurde krachtens een leveringscontract, waarin onder meer was bepaald dat de transformatoren eigendom van de Gemeente bleven en dat zij door de Gemeente zouden worden onderhouden. De distributie van elektriciteit door de Gemeente Dordrecht is overgenomen door N.V. Regionaal Energiebedrijf Dordrecht (RED), welke vennootschap later in het kader van een fusie is opgegaan in N.V. ENECO (hierna: ENECO).
- ii) In 1999 is de Elektriciteitswet-1998 (hierna: EW) in werking getreden. Die – sedertdien weer meer malen aangepaste – wet voorzag, mede ter uitvoering van Europese regelgeving, in een splitsing tussen enerzijds productie en handel en anderzijds distributie van elektriciteit. Die splitsing bracht mee dat elektriciteitsproducenten/-verkopers zoals ENECO hun distributienetten in (economische) eigendom dienden over te dragen aan zelfstandige naamloze of besloten vennootschappen (art. 10, lid 9, en 10a, lid 1, EW). Deze vennootschappen kregen als taak het uitoefenen van het beheer van de elektriciteitsnetten, een en ander met inachtneming van de regelingen in en krachtens de EW. ENECO heeft het beheer van haar net overgedragen aan Stedin. Dat beheer houdt in, kort weergegeven, het transporteren van elektriciteit over het net, het regelen van aansluitingen op het net en het betrouwbaar en veilig laten functioneren van het net (artikel 16 EW Pro). Voor dat beheer geldt een tarievenstelsel dat in de EW en daarop gebaseerde regelingen zoals de TarievenCode Elektriciteit (hierna:TC) is vastgelegd.
- iii) Een geschil met een netbeheerder over de uitoefening door deze van zijn taken en bevoegdheden onder de EW kon aanvankelijk worden voorgelegd aan het bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMA). De geschillenbeslechting is bij de per 1 april 2013 in werking getreden Wet van 28 februari 2013, Stb 2013, 102 toevertrouwd aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) (art. 51 EW Pro). Vanaf 1 april 2013 beslist de ACM ook over een verzoek van een eigenaar van een gesloten distributiesysteem om ontheffing van het gebod in art. 10, lid 9, EW om het beheer over het systeem aan een naamloze of besloten vennootschap over te dragen (art. 15, lid 1, EW). Van besluiten van de ACM kan in beroep worden gegaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb).
- iv) Naar het bedrijventerrein aan de Baanhoekweg wordt over een door Stedin beheerd openbaar net elektriciteit met een spanning van 50 Kv aangevoerd vanuit het station Merwedehaven. Gezien vanuit dat station is even vóór de transformatoren – ook de ‘primaire zijde’ van de transformatoren genoemd – een beveiliging aangebracht. In de transformatoren wordt de spanning teruggebracht tot 12.5 Kv. De elektriciteit met verlaagde spanning wordt vanuit de transformatoren – ook de ‘secundaire zijde’ van de transformatoren genoemd – over twee railsystemen van ca. 15 meter vervoerd naar een ‘Power Purchase Station’ (PPS), van waaruit via kabels en leidingen elektriciteit over het bedrijventerrein aan de Baanhoekweg wordt getransporteerd naar Chemours en een ander productiebedrijf (Perstorp Speciality Chemicals B.V).
- v) In 1997 is op initiatief van Chemours de commanditaire vennootschap Desco
- vi) Op 6 september 2001 heeft een rechtsvoorgangster van Stedin in verband met de in werking getreden EW met terugwerkende kracht tot 1 januari 2000 een overeenkomst met betrekking tot de aansluiting en het transport van elektriciteit ten behoeve van Chemours afgesloten (de ‘Aansluitovereenkomst 2001’; productie 35 bij de incidentele memorie houdende een verzoek tot aanhouden procedure tevens memorie van grieven). Desco droeg zorg voor de uitvoering van de overeenkomst. In deze overeenkomst was ook bepaald dat de transformatoren eigendom van ENECO waren en dat voor de huur en het onderhoud van de transformatoren een afzonderlijke huurovereenkomst zou worden afgesloten. Daarvan kwam het echter niet.
- vii) In de loop van 2009 is met betrekking tot de transformatoren een geschil ontstaan tussen enerzijds Chemours en Desco en anderzijds Stedin. Eerstgenoemden stelden zich toen op het standpunt dat de transformatoren als gevolg van natrekking aan Chemours toebehoren (zie in dit verband productie 15 bij de memorie van grieven) en dat er geen huur voor de transformatoren verschuldigd was. In verband met dit geschil spande Stedin in mei 2010 bij de rechtbank Rotterdam een procedure tegen Chemours en Desco aan. Daarop zijn partijen ter oplossing van de tussen hen bestaande geschilpunten met elkaar in overleg getreden. Dat overleg heeft uiteindelijk geresulteerd in het sluiten van de drie hierboven in 1.1, sub (ii) en (iii) genoemde overeenkomsten. Omdat het in de bedoeling lag Desco te liquideren is Chemours op haar verzoek zelf als contractspartij bij de drie overeenkomsten opgetreden. Van het liquideren van Desco is later afgezien. Met betrekking tot de Aansluit/Transportovereenkomst en de Verhuurovereenkomst is een terugwerkende kracht tot het jaar 2000 overeengekomen. In artikel 1, sub 1.1, van de Vaststellingsovereenkomst is bepaald:
verklaart eigenaar te zijn van de grond waarop het Verhuurde[de transformatoren]
is geplaatst. Huurder erkent dat de eigendom van het Verhuurde bij Verhuurder[Stedin]
berust.
( [4] )Als bestanddeel van een net horen de transformatoren uit hoofde van artikel 5:20 lid 2 BW Pro jo. artikel 1, lid 1, onder i EW in eigendom toe aan Desco dan wel ENECO. Op een bestanddeel kan geen beperkt recht worden gevestigd, zodat met het vestigen van een opstalrecht niet kan worden bereikt dat de eigendom van de transformatoren toch aan Stedin toekomt. Dit alles brengt mee dat de Verhuurovereenkomst in strijd is met de wet, zodat de op die overeenkomst stoelende vordering tot vestiging van een opstalrecht had moeten worden afgewezen (grieven 1, 2 en 3). Ook worden bestreden de oordelen van de rechtbank dat aan Chemours geen vergoeding in verband met het opstalrecht toekomt (grief 4), dat Chemours gehouden is mee te werken aan de vestiging van een opstalrecht conform de door Stedin in het geding gebrachte conceptakte (grief 5) en dat Chemours voor de helft dient te delen in de notariskosten die aan de vestiging van het opstalrecht zijn verbonden (grief 6). Chemours concludeert in conventie tot niet-ontvankelijkheid, althans afwijzing van de vorderingen van Stedin jegens Chemours. In reconventie vordert Chemours opnieuw, kort samengevat, een veroordeling van Stedin om haar eigendom van de transformatoren overeenkomstig de daartoe in de artikelen 3:16 en 3:17 BW jo. artikel 5:20 lid 2 BW Pro beschreven wijze in de openbare registers in te schrijven.
2.Bespreking van het aangevoerde cassatiemiddel
( [5] )betrekking heeft. In het arrest gaat het om een beslissing in de geschillenbeslechtingsprocedure van artikel 51 EW Pro, die nog door de NMA is genomen en is gericht tot dezelfde private partijen
( [6] )als optraden in de procedure waarin door de Hoge Raad het arrest is uitgesproken. De NMA had beslist dat Delta aan Windpark een onjuiste offerte had uitgebracht voor het ten behoeve van Windpark realiseren van een aansluiting op het net van Delta. Daardoor heeft Windpark veel meer kosten gemaakt voor de aansluiting dan bij een correcte offerte het geval zou zijn geweest. Voor die hogere kosten vordert Windpark een schadevergoeding van Delta wegens onrechtmatig handelen. In de rov. 3.5.2 en 3.6 overweegt de Hoge Raad:
( [7] )
( [8] )geeft geen aanleiding anders te oordelen. De EW is van regulatoire aard in die zin dat met die wet wordt beoogd te voorzien in een regeling van de productie, het transport en de levering van elektriciteit. Met dat oogmerk van de wet houdt de ruime omschrijving van het begrip ‘net’ in artikel 1 lid 1 sub i Ew Pro verband. De EW heeft niet de strekking eigendomsverhoudingen te beïnvloeden.
( [9] )
( [18] )Uit genoemde citaten blijkt ook dat het bij de bepaling van die omvang het niet slechts gaat om waar het begin- en eindpunt van het net van elektriciteitskabels en leidingen ligt, maar ook om de overige objecten, die rechtens tot het net van kabels en leidingen moeten worden gerekend. In de verwijzing naar artikel 1 lid 1 sub i EW Pro ligt wel besloten dat het artikel bij de bepaling van de omvang van de eigendom van een voor de transport van elektriciteit bestemd net van kabels en leiding als bedoeld in artikel 5:20 lid 2 BW Pro alleen leidend is, indien het gaat om een net dat onder het regime van de EW valt.
behoudens voor zover een en ander onderdeel van een directe lijn uitmaakt of binnen een installatie van een producent of van een afnemer ligt.Dit voorbehoud maakt ook duidelijk dat hetgeen in artikel 1 lid 1 sub i EW Pro omtrent de omvang van een onder een onder het regime van de EW vallend net is bepaald, niet bedoeld is voor een net van kabels en leidingen als bedoeld in artikel 5:20 lid 2 BW Pro dat bestemd is voor het transport van elektriciteit maar deel uitmaakt van een installatie van een producent of afnemer van elektriciteit.
( [19] )
uitgangspuntmoeten worden aangehouden dat hulpmiddelen als transformatoren een bestanddeel van dat net zijn en daarmee, zolang die status van bestanddeel niet op juridisch correcte wijze is opgeheven, vallen binnen de eigendom van het net. Omdat de wetgever bij het tot stand brengen van artikel 5:20 lid 2 BW Pro voor de bepaling van de omvang van een voor het transport van elektriciteit bestemd net van kabels en leidingen nadrukkelijk op artikel 1 lid 1 sub i EW Pro heeft gewezen, kunnen in het regulatoire karakter van de EW en in het feit dat met die wet niet beoogd is de beantwoording van eigendomsvragen te beïnvloeden niet voldoende tegenargumenten worden gezien.
( [20] )Dit aspect betrekt het hof niet in zijn beoordeling. Niet gezegd kan worden dat het feit dat de transformatoren zonder beschadiging van betekenis kunnen worden verwijderd en het feit dat zij verhuurd werden, het buiten beschouwing laten van de rol van de transformatoren in een net zonder meer rechtvaardigen. In zoverre kan het oordeel van het hof dat de transformatoren geen bestanddeel zijn, als onvoldoende gemotiveerd worden beschouwd.
“Ingevolge de Vaststellingsovereenkomst staat tussen hen –[Chemours, Desco en Stedin]
– vast dat Stedin (dan wel een andere tot het Eneco-concern behorende rechtspersoon) eigenaar is van de litigieuze transformatoren met toebehoren en dat deze met terugwerkende kracht vanaf januari 2001 –[lees: 2000] –
door Chemours zijn gehuurd.”
( [22] )Een net als bedoeld in artikel 5:20 lid 2 BW Pro wordt als een onroerende zaak beschouwd, zodat er ook met betrekking tot een net op grond van artikel 5:101 BW Pro een opstalrecht kan worden gevestigd.
op zichzelfgeen net in de zin van artikel 5:20 lid 2 BW Pro zijn. Hiermee staat het hof, zo komt het voor, stil bij de klacht van Chemours in grief 3 tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.2 van haar vonnis d.d. 10 september 2014 dat de transformatoren geen net in de zin van artikel 5:20 lid 2 BW Pro zijn. Aan zijn oordeel dat de transformatoren
op zichzelfgeen net in de zin van artikel 5:20 lid 2 BW Pro zijn verbindt het hof het vervolgoordeel dat Stedin voor het vastleggen van haar eigendom van de transformatoren niet de door Chemours met haar reconventionele vordering aangegeven weg van artikel 3:17 lid 1 sub k BW Pro kan volgen. Bijgevolg heeft Stedin, aldus het hof, belang bij vestiging van het overeengekomen opstalrecht.
“voor zover zij ertoe strekt de eigendom van de transformatoren vast te leggen.”De vraag of en, zo ja, tot welke hoogte Stedin op de grond van de EW tarieven voor aansluit-, transport- en systeemdiensten in rekening mag brengen speelt in de procedure, waarop de zaak 16/03552 betrekking heeft.
( [23] )van een producent of een afnemer van elektriciteit (artikel 1 lid 1 sub a EW Pro). De plaats van de aansluiting kan bij overeenkomst tussen de betrokkenen worden vastgesteld.
( [24] )In rov. 8 stelt het hof vast dat uit een bij de Aansluit/Transportovereenkomst horend schema blijkt dat de partijen bij die overeenkomst zijn overeengekomen dat de aansluiting met het door Stedin beheerde net – bezien vanuit het station Merwedehaven – zich bevindt na de in dat net aangebrachte elektriciteitsmeter, dat daarmee de transformatoren na die aansluiting zijn gesitueerd en dat zij derhalve niet behoren tot het net, dat door Stedin wordt beheerd. Naar het oordeel van het hof verzet de EW zich niet tegen de in de Aansluit/Transport-overeenkomst aangewezen plaats van de aansluiting. Gelet op wat hiervoor is opgemerkt over de betekenis van een aansluiting en over de mogelijkheid om de plaats van een aansluiting bij overeenkomst te bepalen, geeft het hof met dit oordeel als zodanig geen blijk van een onjuiste opvatting.
( [25] )
( [26] )