Uitspraak
zetelende te ’s-Gravenhage,
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
24 april 2015.
Hoge Raad
De Staat der Nederlanden vordert in kort geding dat [verweerder] opgave doet van het verloop van zijn buitenlandse bankrekeningen bij de Kredietbank Luxembourg (KB-Lux) vanaf 1994. De voorzieningenrechter wees de vordering toe, maar het hof Amsterdam vernietigde dit vonnis en wees de vordering af, omdat nog niet onherroepelijk was vastgesteld dat [verweerder] rekeninghouder was en de gevorderde voorziening te verstrekkend was.
De Hoge Raad oordeelt dat de afstemmingsregel tussen kort geding en bodemprocedure niet van toepassing is op de zuiver feitelijke vraag of [verweerder] rekeninghouder was. Ook is de civiele rechter in kort geding niet gebonden aan het oordeel van de belastingrechter over deze identificatie. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het belang van de Staat niet zwaarder zou wegen, terwijl uit de stukken blijkt dat [verweerder] de feitelijke constateringen niet heeft weersproken.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing. Tevens veroordeelt hij [verweerder] in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof Amsterdam en verwijst zaak naar hof Den Haag voor verdere behandeling