Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
met geen ander doeldan het onmogelijk maken van verhaal, terwijl dit handelen een daadwerkelijke vermindering van de verhaalsmogelijkheden inhoudt en de schuldeiser van de vennootschap die deze activiteiten voorheen verrichtte, is benadeeld.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2.1betoogt Levrier in de kern dat het hof de door Levrier aangevoerde grondslagen voor aansprakelijkheid wel noemt, maar deze aansprakelijkheid uiteindelijk slechts beoordeelt op grond van de regel die het destilleert uit het arrest
Roco/Staat [9] en het hof daarbij bovendien de aard, uitleg en strekking van dit arrest miskent. Het onderdeel is opgedeeld in vier subonderdelen.
weldoor het hof zijn behandeld in rov. 3.18 van het eerste tussenarrest) ook de gewone bestuurdersaansprakelijkheid, onder meer ter zake van selectief betalen, en de gewone onrechtmatige daad aan de aansprakelijkheid van [verweerster 2] en [verweerder 3] ten grondslag zijn gelegd. Het hof heeft deze grondslagen daarom miskend dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven. Dat laatste zou in het bijzonder gelden indien het hof de door Levrier aangevoerde gronden heeft uitgelegd als alleen betrekking hebbend op
Roco/Staat.
onderdeel 2.1.A.3voert Levrier aan dat het hof zou hebben miskend (hetzij geen inzicht zou hebben gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel hebben gegeven) dat de aansprakelijkheid van Jekerveste c.s. volgens Levrier aanzienlijk breder is dan uitsluitend die op grond van het arrest
Roco/Staaten zelfs breder is dan zoals weergegeven in rov. 3.16 voor zover daaruit niet kan worden afgeleid dat het hof zich rekenschap heeft gegeven van het feit dat Levrier zich ook op ‘gewone’ onrechtmatige daad heeft beroepen.
te meer, zo vervolgt Levrier op p. 6 van de inl. dgv., nu Jekerveste heeft gemeld niet langer over middelen te beschikken om tot enige betaling over te gaan. In dit kader schetst Levrier de overdracht van de activiteiten van Jekerveste door [verweerster 2] en [verweerder 3] naar [A] . Deze inbreng heeft kennelijk geen ander doel gehad dan de crediteuren van Jekerveste – met name Levrier – te benadelen en had geen economische noodzaak. Met deze opgezette structuur met inherente risico’s voor crediteuren van Jekerveste hebben [verweerder 3] en [verweerster 2] een zorgplicht ten opzichte van de – bestaande en toekomstige – schuldeisers van Jekerveste waardoor een doorbraak van aansprakelijkheid gerechtvaardigd is. De inbreng zou naast onrechtmatig ook paulianeus zijn (inl. dgv. p. 7).
Roco/Staat). “Dit onrechtmatig handelen kan dan worden verweten aan [verweerster 2] als bestuurder van Jekerveste en [A] , die dit dan immers moet hebben bewerkstelligd (hetgeen als een ernstig verwijt moet worden aangemerkt)”, zo vervolgt het hof in rov. 3.18.
onrechtmatigjegens Levrier. Dit onrechtmatig handelen kan dan worden verweten aan [verweerster 2] als bestuurder van Jekerveste en [A] die dit dan immers moet hebben bewerkstelligd (hetgeen als een
ernstig verwijtmoet worden gekwalificeerd), en kan op grond van
artikel 2:11 BW Protevens worden toegerekend aan [verweerder 3] als bestuurder van deze holding.
Roco/Staatonjuist heeft toegepast en uitgelegd.
Roco/Staatzou allereerst geen algemeen criterium te ontlenen zijn (
subonderdeel 2.1.B.1). Uw Raad zou in
Roco/Staatgeen inhoudelijk oordeel hebben gegeven over een maatstaf voor aansprakelijkheid en in dit arrest zou dan ook geen (algemene) rechtsregel zijn geformuleerd. Die rechtsregel kan volgens Levrier ook niet uit het vergeefs bestreden oordeel van het hof in die zaak worden afgeleid – het arrest betreft slechts de gegeven omstandigheden die het betrof en ziet niet op andere situaties. Het hof zou dit hebben miskend, dan wel geen inzicht hebben gegeven in zijn gedachtegang dan wel een onbegrijpelijk oordeel hebben gegeven.
Roco/Staat, namelijk dat er slechts aansprakelijkheid is, indien het doel van de overheveling van de activiteiten naar de nieuwe vennootschap uitsluitend tot doel heeft benadeling van schuldeisers van de oude vennootschap. Is er ook een bijkomende bedoeling dan zou volgens het hof
geensprake zijn van aansprakelijkheid. Ook door aldus te oordelen gaat het hof uit van een onjuiste maatstaf, althans is zijn oordeel onbegrijpelijk, zo vervolgt Levrier.
Roco/Staatzou kunnen worden afgeleid, deze regel door het hof te beperkt wordt uitgelegd. Het hof gaat immers uit van de maatstaf dat het handelen geen ander doel dient dan het frustreren van verhaal, terwijl de maatstaf zou moeten luiden dat het handelen kennelijk dit doel dient (ook al dient het wellicht ook nog een ander doel) en dat het effect van het handelen ook daadwerkelijk is dat de verhaalsmogelijkheden afnemen. Hierdoor heeft het hof een onjuist dan wel onbegrijpelijk oordeel gegeven.
Roco/Staatheeft gehanteerd en deze maatstaf ook op de juiste wijze heeft uitgelegd. Ik licht dit toe.
Roco/Staatwenste de Staat bepaalde kosten zowel op de nieuw opgerichte BV als op de directeur te verhalen op grond van onrechtmatig handelen van de oude en nieuwe entiteit en de directeur van beide entiteiten. Het hof oordeelde dat niet alleen de directeur maar ook de nieuwe entiteit aansprakelijk is jegens de Staat, op grond van (zowel) vereenzelviging als onrechtmatige daad.
kennelijk– naar uit r.o 9 en 10 van het tussenarrest van 10 augustus 1993 voortvloeit -
uitsluitend ten doel hadde Staat als grote schuldeiser van de geliquideerde onderneming van Rouwenhorst buitenspel te zetten.” [onderstrepingen A-G]
geen ander doelhad dan het verhaal van de Staat op de aan Roco overgedragen goederen onmogelijk te maken en de Staat daardoor te benadelen, en (b) dat het Hof heeft aangenomen dat de ‘operatie’ inderdaad een
vermindering van de verhaalsmogelijkheden inhield, daargelaten in welke mate dit het geval was.” [12] [onderstrepingen A-G]
Rainbow Products/Ontvanger [14] , waarin Uw Raad oordeelde dat het doen voortzetten van dezelfde activiteiten in een andere vennootschap
met geen ander oogmerkdan het benadelen van de fiscus als crediteur, onrechtmatig is jegens deze crediteur en de (rechts)personen die voor deze handelswijze verantwoordelijk zijn, verplicht tot vergoeding van de schade welke die crediteur als gevolg daarvan lijdt. [15]
Roco/Staathet oordeel van het hof sanctioneerde dat door de ‘operatie’ de opgerichte rechtspersoon (en ook de indirecte oprichter-oorspronkelijk ‘eigenaar’ van de onderneming die tevens directeur was van de opgerichte BV) onrechtmatig hadden gehandeld jegens de Staat wiens verhaalsmogelijkheden hierdoor werden verminderd [16] .
Stichting Waaldijk/ [G] [17] uit 2009, waarin bovengenoemde maatstaf eveneens aan de orde kwam. Uw Raad oordeelde dat het volgende uitgangspunt van het hof ‘terecht niet bestreden’ was in cassatie (rov. 3.2.2):
ongeoorloofde oogmerkvan degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf (vgl. HR 13 oktober 2000, C98/377, NJ 2000, 698). Voorts heeft het hof in rov. 4.4 de grond waarop curator B. verwijt het hiervoor bedoelde misbruik te hebben gemaakt, aldus aangeduid dat B. in de periode 1991-1993 de eigendomsconstructie in het leven heeft geroepen en vervolgens heeft onderhouden, welke
uitsluitend tot doel haden heeft het door hem in 1991 verworven woonhuis, waarover hij de zeggenschap en waarvan hij het genot heeft en over de opbrengst waarvan na vervreemding hij kan beschikken, te onttrekken aan het (toekomstig) verhaal van zijn crediteuren.”
enkel met het oogmerk[onderstreping AG] dat goed aan verhaal van zijn crediteuren te onttrekken.”
met geen ander doeldan het onmogelijk maken van verhaal, terwijl dit handelen een daadwerkelijke verminderen van de verhaalsmogelijkheden inhoudt en de schuldeiser van de vennootschap die deze activiteiten voorheen verrichtte, is benadeeld. Deze maatstaf kan worden afgeleid uit
Roco/Staaten is gezien het bovenstaande juist verwoord. Nu het hof in rov. 6.3.2 – 6.3.5 (voldoende gemotiveerd en op begrijpelijke wijze) uiteenzet dat de financiële positie van Jekerveste ultimo 2008 precair was, dat voor de overname door Jekerveste van 11 van de 14 bij de VOF werkzame personen (aanzienlijke) financiële middelen nodig waren, dat Jekerveste ultimo 2008 niet over de daartoe noodzakelijke liquide middelen beschikte, is het oordeel van het hof dat Jekerveste c.s. hiermee de voorshands bewezen geachte stelling dat (thans) Meerssen Architecten is opgericht
met geen ander doeldan het onmogelijk maken van verhaal door Levrier heeft ontzenuwd, gezien de hiervoor uiteengezette maatstaf, onjuist noch onbegrijpelijk.
onderdeel 2.2richt Levrier zijn pijlen op het oordeel van het hof dat Jekerveste c.s. de voorshands bewezen stelling van Levrier dat [A] met geen ander doel is opgericht dan het onmogelijk maken van verhaal door Levrier heeft ontzenuwd. Het onderdeel bestaat uit subonderdelen A-F.
onderdeel 2.2.Bvoert Levrier aan dat rov. 3.19 van het eerste tussenarrest ook om andere redenen onbegrijpelijk is. [20] Onbegrijpelijk zou zijn dat het hof oordeelt dat de noodzakelijkheid van de financiering en het door de bank gestelde vereiste van oprichting van [A] maakt dat niet voldaan is aan het door het hof gehanteerde criterium uit
Roco/Staat.Een dergelijke constructie zou juist bedoeld zijn om het vermogen van Jekerveste te beschermen tegen verhaal van Levrier en bij uitstek gericht zijn op enkel het doel van het onmogelijk maken door verhaal door Levrier.
subonderdeel 2.2.D.3ligt de klacht besloten dat het hof bij het aangevallen oordeel heeft miskend dat alle gegevens met betrekking tot de financiële positie van Jekerveste c.s. zich binnen het domein van Jekerveste c.s. bevinden en daarom op deze partij een verzwaarde motiveringsplicht c.q. verzwaarde stelplicht zou rusten.
subonderdeel 2.2.D.4.
Subonderdeel 2.2.D.2faalt daarmee eveneens.
subonderdeel 2.2.D.3- dat op Jekerveste c.s. een verzwaarde motiveringsplicht c.q. stelplicht rust omdat alle gegevens met betrekking tot de financiële positie van Jekerveste c.s. zich binnen het domein van Jekerveste c.s. bevinden - gaat eveneens niet op. Uw Raad grijpt niet zonder meer op grond van de redelijkheid en billijkheid in de omvang van de stelplicht, maar alleen wanneer in bepaalde procesconstellaties een zo ernstige verstoring van het processuele evenwicht dreigt dat de realisering van het materiele recht, zonder ingrijpen te veel in gevaar zou komen [21] . Dat het hof hier geen verzwaarde stelplicht heeft aangenomen, is niet onjuist dan wel onbegrijpelijk, nu het aan Levrier is te bewijzen dat Jekerveste c.s. welbewust een nieuwe vennootschap heeft opgericht om (eventueel) verhaal van schulden van Jekerveste door Levrier onmogelijk te maken, hetgeen niet (geheel) afhankelijk is van gegevens die zich bevinden of zouden behoren te bevinden bij Jekerveste c.s.
subonderdeel 2.2.D.4faalt.
onderdeel 2.2.Edeelt het lot van de voorgaande subonderdelen.
noodzakelijkwas. De stelling van Jekerveste c.s. op dit punt is door Levrier betwist [22] , waarover het hof in zijn oordeel niets inhoudelijks heeft geoordeeld, aldus Levrier.
Roco/Staat, maar ook had moeten kijken naar het criterium voor bestuurdersaansprakelijkheid en art. 2:11 BW Pro, en naar de zelfstandige onrechtmatige daad zoals bedoeld in het
Spaanse Villa-arrest [24] . Het onderdeel is opgedeeld in drie subonderdelen.
Roco/Staatslechts ziet op de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van een nieuw opgezette vennootschap voor het onrechtmatig frustreren van verhaalsmogelijkheden van crediteuren van de ‘oude vennootschap’. Het hof zou dit arrest echter gebruiken voor zowel zijn oordeel over de aansprakelijkheid van [A] (i.e. de nieuw opgezette vennootschap) als voor de aansprakelijkheid van [verweerster 2] en [verweerder 3] in persoon. Hiermee zou het oordeel van het hof getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk zijn.
Stichting Waaldijk/ [G] [25] en
Rainbow Products/Ontvanger [26] (als opvolgers van
Roco/Staat) blijkt dat het maken van misbruik van identiteitsverschil in de regel moet worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf. Het hof heeft daarom terecht de maatstaf uit
Roco/Staatgehanteerd voor zowel het oordeel of [A] als [verweerster 2] en [verweerder 3] een onrechtmatige daad hebben gepleegd. Gezien de verwijzing naar (de maatstaf uit) dit arrest in de beide tussenarresten is dit oordeel ook niet onbegrijpelijk.
Ontvanger/ [H]– (aanvullend) een ernstig verwijt nodig is, merk ik op dat het hof hiervan rekenschap heeft gegeven in rov. 3.18 van het eerste tussenarrest waarin het oordeelt: “dit onrechtmatig handelen kan dan worden verweten aan [verweerster 2] als bestuurder van Jekerveste en [A] , die dit kan immers moet hebben bewerkstelligd (hetgeen als een ernstig verwijt moet worden gekwalificeerd), en kan op grond van artikel 2:11 BW Pro tevens worden toegerekend aan [verweerder 3] als bestuurder van deze holding)”.
Roco/Staattoe te passen op [verweerster 2] en [verweerder 3] – een onjuist (want veel te beperkt) criterium heeft aangelegd voor wat betreft de aansprakelijkheid van [verweerster 2] en [verweerder 3] . Het hof zou hebben miskend dat Uw Raad in het
Ontvanger/ [H]-arrest [27] duidelijk heeft omschreven in welke gevallen een bestuurder persoonlijk aansprakelijk is voor het onbetaald of onverhaalbaar blijven van een vordering van een schuldeiser jegens de vennootschap. Ter zake van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering, zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook (afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval) grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.
Ontvanger/ [H]in de feitelijke gedingstukken aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. [29] Jekerveste c.s. zou zelf hebben aangevoerd dat [A] toen de besprekingen over de beëindiging van de VOF liepen al als beoogd opvolger van de architectwerkzaamheden na beëindiging van de VOF werd aangekondigd door Jekerveste (cva 29). Hieruit zou volgen dat Jekerveste c.s. bij het aangaan van de contractuele verplichtingen in de Beëindigingsovereenkomst wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat de vennootschap aan haar verplichtingen niet zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, en dat Levrier hierdoor schade zou lijden. Ook voert Levrier aan dat [A] is opgezet omdat [verweerder 3] met een schone lei wilde beginnen en dat deze entiteit per 1 januari 2009 begon met een (beperkt) positief eigen vermogen, terwijl het vermogen van Jekerveste per 1 januari 2009 negatief was. Jekerveste c.s. zou volstrekt onvoldoende hebben gesteld om aan te tonen dat haar persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt, en heeft het hof dit ook geheel niet onderzocht, aldus Levrier.
Ontvanger/ [H]. [30] Ook deze grond zou Levrier aan haar vorderingen ten grondslag hebben gelegd. [31] Het hof zou hebben verzuimd op deze grondslag te beslissen, wat zijn oordeel onjuist en onbegrijpelijk zou maken. Bovendien zou ook uit de eigen stellingen van Jekerveste c.s. volgen dat sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid, waarbij Levrier herhaalt wat ook bij het vorige subonderdeel is aangevoerd [32] .
Ontvanger/ [H], waar het ging om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van een dergelijke benadeling, zal (afhankelijk van de omstandigheden van het geval) grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen
alleen danworden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem een
voldoende ernstig verwijtkan worden gemaakt. [33]
Ontvanger/ [H], merk ik het volgende op.
zodanig onzorgvuldigis dat hem daarvan
persoonlijk een ernstig verwijtkan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelswijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. [34]
Air Hollandal opmerkte, kan van aansprakelijkheid ingevolge de onder (ii) geschetste maatstaf sprake zijn indien bewust een toestand wordt bewerkstelligd die betaling van een schuld verhindert, zoals het leeghalen van de vennootschap. [35] In casu oordeelt het hof echter dat van een dergelijke verhaalsfrustratie geen sprake is. In het licht van de maatstaf zoals uiteengezet door het hof in rov. 3.18 van het eerste tussenarrest (kort gezegd dat als
wel van verhaalsfrustratie sprake is, dit onrechtmatig handelen dan als
ernstig verwijtkan worden verweten aan [verweerster 2] als bestuurder van Jekerveste en [A] , die dit dan immers moeten hebben bewerkstelligd), ligt in het oordeel dat van verhaalsfrustratie geen sprake is, besloten dat aan het adres van [verweerster 2] dan ook geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dat oordeel is niet onjuist en in het licht van de feitelijke gedingstukken ook niet onbegrijpelijk, nu zoals gezegd voor een persoonlijk ernstig verwijt aan het adres van [verweerster 2] voor het overige niets concreets is aangevoerd.
Ontvanger/ [H], nu het juist bijdraagt aan het bewijs van de stelling dat Jekerveste c.s. bewerkstelligen of toelaten dat een vennootschap (Jekerveste) niet betaalt. [37]
Ontvanger/ [H]heeft voldaan.
Ontvanger/ [H]verwijs ik naar het voorgaande onderdeel. De klacht faalt.
Spaanse Villa, dat het hof heeft miskend dat het verplicht was op grond van art. 25 Rv Pro de rechtsgronden aan te vullen, te weten dat er sprake is van een door [verweerder 3] en [verweerster 2] gepleegde ‘gewone’ onrechtmatige daad. Levrier zou voldoende feiten hebben gesteld waaruit aansprakelijkheid van [verweerster 2] en [verweerder 3] op grond van een zorgvuldigheidsnorm voortvloeit. [39] Dat ook Jekerveste c.s. de vorderingen zo ruim heeft opgevat zou blijken uit mva onder 6.1 en 6.2. Levrier wijst in dit verband wederom naar het door Jekerveste c.s. gestelde zoals ook aangevoerd bij de voorgaande onderdelen.
als bestuurder van beide entiteitenhebben bewerkstelligd. Ook de andere (niet verder onderbouwde) verwijten aan het adres van genoemde zijn gemaakt in het kader van hun functie. [40] Nu uit de feitelijke gedingstukken geen verwijten aan het adres van [verweerster 2] dan wel [verweerder 3]
pro sevolgen, had het hof de rechtsgronden op dit punt niet hoeven aanvullen en gaat de verwijzing naar
Spaanse Villadan ook niet op. Ook deze klacht faalt.