Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, inhoudende dat de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] en de door hem gemaakte camerabeelden onbetrouwbaar zijn, zonder daarbij in het bijzonder de redenen op te geven die tot de afwijking van dat standpunt hebben geleid.
tweede middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat sprake is van een gift, van het aannemen van die gift in zijn betrekking en het verzwijgen daarvan in strijd met de goede trouw als bedoeld in art. 328ter Sr in strijd is met het recht, althans onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
derde middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat sprake is van valsheid in geschrift onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] op 27 april 2012 en 2 mei 2012 niet heeft gewerkt.
vierde middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring, voor zover deze inhoudt dat de bewezen verklaarde feiten mede in februari/maart 2012 zijn begaan, ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof de bewezenverklaring van dat feit uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van één getuige en de door het hof in dat verband gebezigde schakelbewijsconstructie onvoldoende met redenen is omkleed.