Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof het bewezen verklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als witwassen.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak is verdachte door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor witwassen van een geldbedrag van €93.063,27 dat op 14 mei 2009 in zijn bezit werd aangetroffen. Verdachte werd eerder vrijgesproken van de diefstal van elektriciteit en veroordeeld voor het aanwezig hebben van henneptoppen en hennepplanten. Het hof oordeelde dat verdachte wist dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was, maar dat onvoldoende concreet was aangetoond dat het geld direct uit een door verdachte gepleegd misdrijf kwam.
Verdachte stelde in hoger beroep dat het geld afkomstig was van de verkoop van een partij hennep waarvan een restant naast het geld was aangetroffen. Hij weigerde echter verdere vragen over de herkomst te beantwoorden. De verdediging voerde aan dat het geld onmiddellijk afkomstig was uit eigen misdrijf, maar het hof verwierp dit omdat de verklaring onvoldoende concreet was en wisselende verklaringen van verdachte aanwezig waren.
De Hoge Raad bevestigt dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is en dat de lat voor de verdediging hoog ligt bij het aantonen van een direct verband tussen het geld en eigen misdrijf. Het enkel voorhanden hebben van het geld zonder handelingen om het te verbergen kan niet worden gekwalificeerd als witwassen. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor witwassen blijft in stand.