Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
21 november 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het voorhanden hebben van een contant geldbedrag van €93.063,27 waarvan hij wist dat het geheel of gedeeltelijk afkomstig was uit enig misdrijf. Het hof baseerde zijn oordeel mede op het feit dat verdachte niet met voldoende concretisering had aangetoond dat het geldbedrag onmiddellijk afkomstig was uit een door hemzelf gepleegd misdrijf, mede omdat verdachte verdere vragen over de herkomst niet wilde beantwoorden.
De verdediging stelde dat het geld afkomstig was van de verkoop van een partij hennep waarvan een restant naast het geld was aangetroffen, en dat het enkel voorhanden hebben van het geld zonder pogingen tot verhullen of verbergen niet als witwassen kwalificeert. De Hoge Raad herhaalt de relevante jurisprudentie over het onderscheid tussen gewoon witwassen en het voorhanden hebben van voorwerpen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet onjuist heeft geoordeeld en voldoende heeft gemotiveerd waarom het niet aannemelijk is dat het geld onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig was. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de veroordeling voor witwassen in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor witwassen van het geldbedrag.