Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
vastgestelde feitelijke omstandigheden: (i) dat de verdachte bij zijn eerste verhoor – toen hij er nog niet van op de hoogte was dat het geld door de politie in de bankkluis was aangetroffen – heeft verklaard dat hij niet beschikte over contanten of banktegoeden en dat hij nooit een erfenis of schenking heeft gehad, (ii) dat hij in strijd met de waarheid een onvolledige belastingaangifte heeft gedaan door na te laten in box 3 het bezit van enig geldbedrag te vermelden en over 2011 een veel te laag bedrag op te geven, (iii) dat de verdachte heeft verklaard dat hij sieraden en munten van zijn inmiddels overleden moeder heeft verkregen die hij, verspreid over een aantal verkoopmomenten in Antwerpen, heeft verkocht met een totale opbrengst van € 200.000,00 en dat hij tevens een geldbedrag van € 175.000,00 in contanten van zijn moeder heeft gekregen, terwijl uit navraag bij de Belastingdienst en uit onderzoek door het openbaar ministerie blijkt dat zijn moeder slechts beschikte over een zeer bescheiden inkomen en een zeer bescheiden vermogen, (iv) dat de verdachte van geen van de gestelde verkopen in Antwerpen een kwitantie heeft gekregen, (v) dat de verdachte zich tijdens het politieonderzoek op zijn zwijgrecht heeft beroepen toen hem werd gevraagd of hij de sieraden en munten kon beschrijven, of er een verzekering voor was afgesloten, waarom hij de sieraden in Antwerpen heeft verkocht, hoe vaak hij sieraden heeft verkocht en bij welke juweliers hij de sieraden heeft verkocht en dat hij ook ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep geen concrete, min of meer verifieerbare, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de gestelde opbrengst uit de verkoop van de sieraden heeft gegeven, (vi), dat de verklaring van de verdachte dat zijn moeder het geld contant bewaarde omdat zij banken niet vertrouwde zich slecht laat rijmen met het gegeven dat zij tegelijkertijd wel tienduizenden euro's op haar bankrekening had staan en die overmaakte naar de verdachte en (vii) dat de verdachte wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard over: (a) de valuta van het geldbedrag dat hij van zijn moeder heeft ontvangen, (b) de aanwezigheid van een kluis in de woning van zijn moeder en (c) de herkomst van de bankbiljetten van € 500,00.
Verdediging herhaalt het verzoek om de heren [betrokkene 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 3] als getuige te horen
'diverse armbanden en ringen en horloges') te hebben gezien. Verder heeft hij direct van de moeder van cliënt gehoord dat zij heeft gezegd dat haar zoon (= cliënt)
'er later goed bij zal zitten omdat hij enig kind is'.
common usewas dat er in Antwerpen – als
place to bevoor de goudhandel – geen bonnen werden opgemaakt en dus ook geen bonnen aan verkopende particulieren werden verstrekt. Het is dus niet
vreemddat cliënt geen aankoopbonnen kan overleggen. In ieder geval is het niet iets wat in het kader van de bewijsvoering
tegen hemmag worden betrokken. Voorts kan [betrokkene 3] bevestigen dat het eveneens
common usewas dat de transacties met contant geld plaatsvonden. Verder kan [betrokkene 3] verklaren over de veelheid van handelaren in de bewuste tijd en wellicht aan de hand van beschrijvingen, althans locaties, méér informatie verstrekken over de handelaren aan wie cliënt de bewuste sieraden heeft verkocht. Reden waarom het horen van [betrokkene 3] noodzakelijk is in deze zaak. Die noodzaak is er uiteraard niet wanneer u de verklaring van cliënt volgt dat hij in Antwerpen waardevolle sieraden heeft verkocht, waarbij hij cash geld heeft ontvangen en waarbij hij geen (aankoop)bonnen heeft ontvangen.”
“zorg altijd goed voor je ouwe dag jongen, dat heb oma ook gedaan”respectievelijk “
[verdachte] zal er later goed bij zitten omdat hij enig kind is”en dat deze getuigen “het nodige over haar inkomens- en vermogenspositie” kunnen verklaren. Aan het verzoek om de getuige [betrokkene 3] te horen is kort gezegd ten grondslag gelegd dat hij kan verklaren dat vele juweliers Antwerpen inmiddels hebben verlaten, dat het gebruikelijk is dat in de goudhandel in Antwerpen geen aankoopbonnen worden opgemaakt en dat het ‘common use’ is dat de transacties met contant geld plaatsvinden.
3.Het tweede middel
zijnde het enige misdrijf dat de AWR kent, in die zin dat cliënt erfbelasting dan wel inkomstenbelasting had moeten betalen over het bedrag dat de erfenis vertegenwoordigt én dit opzettelijk heeft nagelaten, is sprake van het voorhanden hebben van een deel van het aangetroffen geldbedrag ad EUR 350.000,00 (dus niet het gehele bedrag, maar enkel het niet-afgedragen deel) dat uit
eigen fiscaalmisdrijf afkomstig is. Het feit dat dit feit door het Openbaar Ministerie subsidiair ten laste is gelegd vormt een aanwijzing voor dit standpunt, nu aldus direct een relatie door de steller van de tenlastelegging wordt gemaakt tussen het aangetroffen geldbedrag en het misdrijf genoemd in de AWR.
‘(d)de gelden (...) zeer waarschijnlijk niet in één jaar (zijn) verkregen, maar over een periode van een aantal jaren'.De Belastingdienst gaat uit van de jaren 2010 t/m 2014 en heeft allerlei naheffingsaanslagen en navorderingsaanslagen aan cliënt opgelegd. Het veelvuldige kluisbezoek zou in dit standpunt te verklaren zijn. Het voorhanden hebben van het geldbedrag in deze visie zou op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad niet kunnen leiden tot de kwalificatie witwassen.
zelfdient te verklaren (vgl. conclusie AG Harteveld ECLI:NL:HR:2017:3020, punt 4.5). Op basis van het dossier dienen de mogelijke scenario's door of namens de verdachte aangevoerd te worden. Nu het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt dat het geldbedrag afkomstig is uit een door een ander dan cliënt gepleegd misdrijf, dient ervan uitgegaan te worden dat het een door een cliënt zelf begaan misdrijf is.
aannemelijkis dat de voorwerpen die de verdachte voorhanden heeft gehad onmiddellijk afkomstig zijn uit/van een door hem zelf begaan misdrijf. [4] Het oordeel van de feitenrechter dat de bewezenverklaring van het voorhanden hebben geen betrekking heeft op een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp kan in cassatie op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Dit oordeel kan onbegrijpelijk zijn in die gevallen waarin:
meer expliciethad overwogen waarom het hof hetgeen is aangevoerd namens de verdachte niet heeft opgevat als een dergelijk verweer, meen ik dat de steller van het middel hier een eis stelt die het recht niet kent. [7] Het middel faalt in zoverre.
“met voldoende concretisering”gevoerd verweer met betrekking tot het voorhanden hebben door eigen misdrijf.
bewijsbaaris. Toereikend voor deze toepassing is namelijk, zoals hiervoor ook aangegeven, dat het
aannemelijkis dat de voorwerpen die de verdachte voorhanden heeft gehad onmiddellijk afkomstig zijn uit/van een door hem zelf begaan misdrijf. [9] Wat betreft de beoordeling van de hiervoor in paragraaf 3.4 vermelde factor onder (iii), moet derhalve door of namens de verdachte met een voldoende geconcretiseerd verweer
aannemelijk wordendat de voorwerpen die hij voorhanden heeft gehad onmiddellijk afkomstig zijn uit/van een door hem zelf begaan misdrijf.
NJ2016/82 m.nt. Keulen betreft een OM-cassatie tegen het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde feit, gelet op de kwalificatie-uitsluitingsgrond, niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Het hof had vastgesteld dat de verdachte zich bezighield met hennepteelt en dat door de raadsvrouwe was aangevoerd dat de verdachte “niet langer [ontkent] dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit door de verdachte zelf gepleegde misdrijven”. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is, nu hetgeen door de raadsvrouwe is aangevoerd – mede gelet op hetgeen het openbaar ministerie in dit verband in hoger beroep naar voren heeft gebracht [10] - bezwaarlijk kan worden aangemerkt als een voldoende concretisering. Advocaat-generaal Vegter betoogt in zijn conclusie [11] dat indien het openbaar ministerie in het kader van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren brengt dat het grondfeit niet bewijsbaar is dan wel dat een vervolging ter zake van het grondfeit niet haalbaar is, [12] een uitzondering op de kwalificatie-uitsluitingsgrond kan worden gemaakt. Zelfs indien nog wel gezegd zou kunnen worden dat aannemelijk is dat de verdachte het grondfeit heeft gepleegd, is het gevaar van dubbele bestraffing immers niet aan de orde, aldus Vegter. Deze zaak is na terugwijzing naar het hof – waarbij de verdachte wel werd veroordeeld voor “witwassen” – opnieuw bij de Hoge Raad beland. In HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2962,
NJ2017/461 oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat door of namens de verdachte niet met voldoende concretisering is aangevoerd dat dit geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig is, in welk verband het hof mede betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte verdere vragen omtrent de herkomst niet heeft willen beantwoorden, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en mede gelet op de bewijsvoering en de aard van het bewezenverklaarde feit (het aanwezig hebben van henneptoppen) toereikend is gemotiveerd.
NJ2015/340 m.nt. Keijzer oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat niet aannemelijk is geworden dat het aangetroffen geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, niet onbegrijpelijk is. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat door en namens de verdachte was aangevoerd dat al het aangetroffen geld een legale herkomst had, welk verweer door het hof ten aanzien van het bewezenverklaarde gedeelte is verworpen, terwijl de aanwezigheid van een handelshoeveelheid XTC-pillen en voorwerpen "vermoedelijk afkomstig van een hennepplantage" ook niet zodanig is dat daaruit
zonder meervolgt dat de verdachte het geldbedrag kennelijk onmiddellijk door eigen eerdere verkoop van XTC-pillen of door hem gekweekte hennep heeft verworven of voorhanden heeft gehad.
NJ2017/474 oordeelde de Hoge Raad dat mede gelet op de korte tijdspanne tussen de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde diefstal uit een woning van € 2.100,– en het voorhanden hebben van een geldbedrag van € 2.350,–, en in aanmerking genomen dat namens de verdachte onder meer is aangevoerd dat het aangetroffen geldbedrag uit eigen misdrijf, te weten de bewezenverklaarde woninginbraak afkomstig was, het oordeel van het hof dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig is, niet zonder meer begrijpelijk is.
“met voldoende concretisering”verweer is gevoerd met betrekking tot het verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf, is evenmin onbegrijpelijk. Dat de Belastingdienst het in de kluis aangetroffen geld fiscaal als winst uit onderneming
aanmerkten constateert dat de gelden
zeer waarschijnlijkniet in één jaar zijn verkregen, kan strafrechtelijk niet als een voldoende concreet verweer worden gezien.
onvoldoende zijnom wettig en overtuigend te bewijzen dat de verdachte zich eind jaren negentig samen met [betrokkene 7] schuldig heeft gemaakt aan hennephandel en dat met die hennephandel, gerelateerd aan het feitencomplex waarvoor [betrokkene 7] in 2002 is veroordeeld, de € 350.000 is verdiend die in de kluis is aangetroffen. Bovendien heeft de officier van justitie blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg verklaard:
“Er is inderdaad geen sprake van een gronddelict. Dat is volgens jurisprudentie van de Hoge Raad ook niet nodig. Het klopt dat niemand heeft gezegd dat [verdachte] betrokken was bij het gronddelict. Wel is er verklaard dat een persoon met de bijnaam ‘Big’ betrokken was. Verdachte wordt ‘Big’ genoemd. Er bestaat een vermoeden dat verdachte bij strafbare feiten betrokken was.”De verdachte is dan ook niet vervolgd voor het (mede)plegen van hennepfeiten. Het “standpunt van de officier van justitie” is dus, anders dan de verdediging en de steller van het middel meent, dat het aangetroffen geldbedrag niet afkomstig is uit hennephandel. Bovendien heeft de verdediging niet zelf aangevoerd dát het geldbedrag afkomstig is uit hennephandel, slechts dat dit het standpunt van de officier van justitie zou zijn (quod non). Gelet op het voorgaande is het kennelijke oordeel van het hof dat aldus niet “met voldoende concretisering” verweer is gevoerd met betrekking tot het verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf, niet onbegrijpelijk. [13]