ECLI:NL:PHR:2017:1283
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning in gaswinningsgebied na aardbeving Huizinge 2012
Belanghebbende betwistte de WOZ-waarde van zijn woning in het gaswinningsgebied van de NAM, vastgesteld op €97.000 per 1 januari 2012, en stelde dat vanwege de aardbeving van 16 augustus 2012 en de sindsdien bekend geworden aardbevingsrisico’s de waarde per 1 januari 2013 moest worden vastgesteld volgens artikel 18, derde lid, onderdeel c, van de Wet WOZ.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de aardbeving haar oorsprong vond in de bodemgesteldheid zoals die bestond op 1 januari 2012 en dat deze bodemgesteldheid leidend is voor de waardering. Het Hof stelde dat de aardbeving geen specifieke bijzondere omstandigheid is die nauwkeurig aan te wijzen objecten raakt, omdat het risico en de gevolgen het gehele gebied betreffen. De woning had geen zichtbare schade opgelopen, zodat artikel 18, derde lid, niet van toepassing is.
De Advocaat-Generaal stelde dat het Hof te hoge eisen stelde aan de specificiteit van de bijzondere omstandigheid, maar concludeerde ook dat geen waardevermindering als gevolg van de aardbeving was aangetoond. De Hoge Raad bevestigt dat de WOZ-waarde moet worden bepaald naar de toestand op 1 januari 2012, waarbij rekening wordt gehouden met de bodemgesteldheid en de daaruit voortvloeiende waardebeïnvloedende factoren, maar niet met de aardbeving zelf als bijzondere omstandigheid.
De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 18 van Pro de Wet WOZ en de jurisprudentie dat waardeveranderingen door algemene risico’s en gebiedsbrede omstandigheden niet leiden tot een wijziging van de waardepeildatum, tenzij sprake is van specifieke, nauwkeurig aan te wijzen bijzondere omstandigheden die de waarde van een individuele onroerende zaak beïnvloeden.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de WOZ-waarde per 1 januari 2012 moet worden vastgesteld zonder toepassing van artikel 18, derde lid, onderdeel c, Wet WOZ.