Conclusie
tweede middel, dat gericht is op de verwerping door het hof van het verweer dat de verdachte geen significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld en op de bewijsoverweging van het hof die inhoudt dat de verdachte niet alleen een duw aan het slachtoffer heeft gegeven en een slaande beweging in de richting van het slachtoffer heeft gemaakt maar ook een (afzonderlijke) ‘stoot’ aan het slachtoffer heeft gegeven. Volgens de stellers van het middel wordt met het in de gebezigde bewijsmiddelen genoemde woord ‘stoot’ gedoeld op een door de verdachte gegeven duw en kan uit de verschillende gebezigde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien niet meer worden afgeleid dan dat de verdachte (naast een slaande beweging) één enkele duw aan het slachtoffer heeft gegeven.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
ofwelop de betreffende duw
ofwelop de betreffende slaande beweging wordt gedoeld. Van groot belang voor de bewijsvoering van het hof als geheel vind ik deze kwestie echter niet. Anders dan de stellers van het middel, begrijp ik uit de overwegingen van het hof dat de door de verdachte gegeven stoot volgens het hof geen duw maar een (rake) klap moet zijn geweest. Het hof verwijst in zijn overwegingen immers naar verschillende getuigenverklaringen waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte niet alleen een slaande beweging in de richting van het slachtoffer heeft gemaakt maar ook daadwerkelijk een stoot in de zin van een klap of slag aan het slachtoffer heeft gegeven.
eerste middelbevat een klacht over de (gedeeltelijke) toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het oordeel van het hof ten aanzien van de – op art. 6:166, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek – gegronde hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor de door het slachtoffer geleden schade getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet toereikend is gemotiveerd.
Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]
BESLISSING
binnen de context van een geheel van relevante groepsgedragingenkan worden gezegd dat zij het gevaar in het leven riepen dat de schade zou worden toegebracht. Nu deze vraag in casu afdoende door het hof is beantwoord – en het hof er in zijn arrest tevens terecht op heeft gewezen dat het feit dat aan de verdachte niet de strafverzwarende omstandigheid van zwaar lichamelijk letsel ten laste is gelegd niet meebrengt dat hij ook in civielrechtelijke zin niet aansprakelijk kan worden gehouden voor het door het slachtoffer opgelopen ernstige letsel –, kan het middel niet slagen. [1]