Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Waar het in deze zaak om gaat
3.Het cassatieberoep van de verdachte
feit 1
Overwegingen over het bewijs van de tenlastegelegde feiten
in verenigingplegen van geweld tegen personen te kunnen komen.
terwijl dit door hem gepleegde geweld de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
€ 6.104,75 (zesduizend honderdvier euro en vijfenzeventig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De Stille Tocht en de kosten van het grafmonument , de schadeposten 2,3,4 en 5, in totaal een bedrag van € 2.801,00 (plaatsingskosten betaald aan Westerveld € 279,00, aanschafskosten grafmonument betaald aan de steenhouwer € 1860,00 en € 476,00 kosten gemaakt om het grafmonument te plaatsen).
bijlage 1bijgevoegd.
4.Het namens de benadeelde partij [benadeelde 3] voorgestelde middel
op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Nu namens de benadeelde partij is aangevoerd dat hij letsel en pijn heeft ondervonden, in het ziekenhuis behandeld moest worden, een ontsierend litteken heeft opgelopen en is gewezen op vergelijkbare rechtspraak, heeft het hof deze omstandigheden – conform de voornoemde rechtspraak – kennelijk meegewogen bij zijn oordeel over de begroting van de schade. Het hof heeft daarmee geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip “nadeel dat niet in vermogensschade bestaat” noch heeft het hof een onjuiste wijze van begroting toegepast. Gezien het voorgaande en gelet op de in acht te nemen terughoudendheid waarmee de Hoge Raad het aan de feitenrechter toebehorende oordeel met betrekking tot de begroting van de schade toetst, meen ik dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is noch dat dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd.