Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
maal, doordat niet-verdienende partners, zoals de belanghebbende, slechts tweederde van de algemene heffingskorting konden effectueren. Vóór 2008 konden ook eenverdienergezinnen twee maal de korting genieten. De algemene heffingskorting voor niet-verdienende partners wordt geleidelijk afgebouwd naar nul in 2023.
BundesVerfassungsGerichtde Duitse
Grundgesetzuitlegt. Het gaat naar Nederlandse staatsrechtelijke opvattingen om gevolgen van politieke keuzen waar de rechter zich geacht wordt niet mee te bemoeien.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten en het geschil
BNB2008/21. [4] Bij de introductie van de Wet IB 2001 was volledige verzilvering van de algemene heffingskorting nog wel mogelijk, ook als de belastingplichtige geen belastingschuld had, doordat aftrek was toegestaan op de belastingschuld van de partner. Als diens inkomen daartoe onvoldoende was, werd het surplus van de algemene heffingskorting uitgekeerd aan de belastingplichtige. De belanghebbende gaat uit van gezinsdraagkracht en meent daarom dat uitgangspunt moet zijn dat een gezin recht heeft op twee keer de algemene heffingskorting, ongeacht wie het inkomen verdient.
Bundesverfassungsgericht(BVerfG) meer malen heeft overwogen dat over het inkomen benodigd voor de primaire levensbehoeften van de belastingplichtige en degenen jegens wie hij onderhoudsplichtig is, geen belasting mag worden geheven omdat zulks het gebod van gelijke behandeling (art. 3
Grundgesetz), de keuzevrijheid binnen een gezin (art. 6
Grundgesetz) en de menselijke waardigheid (art. 1
Grundgesetz) zou schenden. [5] Door belastingheffing over inkomen dat nodig is voor primaire levensbehoeften, wordt eigendom in zijn kern aangetast, want wordt op niet te rechtvaardigen gronden eigendom ontnomen. De verlaging van de algemene heffingskorting voor de niet-verdienende partner in een eenverdienershuishouden schendt volgens de belanghebbende en haar echtgenoot ook art. 4 EVRM Pro (verbod op slavernij, lijfeigenschap en dwangarbeid). De wetgever mag niet door belastingverhoging zodanige (extra) financiële druk op belastingplichtigen leggen dat ze gedwongen worden om (meer) betaalde arbeid te doen om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien.
détournement de pouvoir législatif. Ook miskent zij dat het consistentiebeginsel wordt geschonden bij het beroep op het doel om de niet of minstverdienende partner te stimuleren om (meer) te gaan werken. Het oordeel dat de vermindering niet
excessivezou zijn, acht de belanghebbende volledig misplaatst. De belastingdruk is het laagst bij een 50/50 verdeling en het hoogst bij een 100/0 verdeling van het inkomen over de echtelieden, als gevolg van onder meer progressieve belastingtarieven, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting én de stapsgewijze afschaffing van overdraagbare heffingskorting. De impliciete boodschap die wordt uitgedragen is dat het bestaansminimum van economisch onrendabelen niet hoeft te worden ontzien omdat ze niet kunnen worden ingezet als middel ter verhoging van de (betaalde) arbeidsparticipatie en daarom als minderwaardig moeten worden beschouwd. Dat vernedering het doel van de maatregel is, blijkt volgens de belanghebbende ook uit het gebruik van de aanduiding ‘aanrechtsubsidie’ voor de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de niet-verdiener. Ik kan dit niet helemaal volgen, maar ik vermoed dat zij bedoelt dat de gebruikers van deze term haar opvattingen over het gezinsleven
framenals archaïsch en ongeëmancipeerd. Wat daar vernederend aan is, ontgaat mij niettemin, nog daargelaten dat moeilijk in te zien valt hoe de wetgever verweten kan worden dat anderen dan de wetgever zo’n term gebruiken.
NTFR2017/1168) achtte belanghebbendes beroep op het eigendomsgrondrecht bij voorbaat kansloos wegens ontbreken van enige onderbouwing van het bestaan van een buitensporige last bij haar:
NLF2017/0948) is ingegaan op de maatschappelijke discussie over het verschil in belastingdruk tussen één- en tweeverdienersgezinnen:
Men moet zich hoeden voor een overheid die mensen wil bevrijden omdat zij meent te weten hoe hun leven zou moeten worden ingericht om werkelijk “vrij en gelijk” te zijn. Zo’n “bevrijding” leidt in de praktijk bijna altijd tot schending van het gebod van gelijke behandeling en van mensenrechten, zoals de vrijheid van inrichting van het gezinsleven.’
3.Het geding in cassatie
Steuersplitting I) het daarvoor geldende stelsel ongrondwettig had verklaard wegens strijd met art. 3 Grundgesetz Pro (gebod van gelijke behandeling) en art. 6 GG Pro (vrijheid van inrichting van gezinsleven). In dat eerdere stelsel werd belasting geheven over het gezamenlijke inkomen van de echtgenoten. Het vervolgens ingevoerde splittingstelsel, dat aan elk van de echtgenoten de helft van het gezamenlijk inkomen toerekent, is daarna bij uitspraak van 3 november 1981, E 61, 319 (Steuersplitting III) door het BVerfG in overeenstemming met de Duitse Grondwet verklaard. Nu art. 6 Grundgesetz Pro is ontleend aan het toen (1948) beschikbare ontwerp van het latere art. 23(1) IVBPR (het gezin is de natuurlijk en fundamentele groepseenheid van de maatschappij en heeft recht op bescherming door de maatschappij en de staat) ligt het voor de hand dat hetgeen het BVerfG heeft geoordeeld in zijn Steuersplitting-arresten ook geldt voor de interpretatie van art. 8 EVRM Pro (vrijheid van inrichting van het gezinsleven).
excessive burdenis. Ook de belanghebbende moet een
excessive burdendragen, nu de ontneming van het haar voor haar bestaansminimum toekomende deel haar echtgenoot’s inkomen door belastingheffing c.q. verlaging en afschaffing van de overdraagbare heffingskorting ‘per definitie’ kwalificeert als
excessive burden. Het BVerfG heeft geoordeeld dat belastingheffing over het inkomensdeel dat nodig is voor het bestaansminimum art. 1 Grundgesetz Pro (menselijke (gelijk)waardigheid) schendt. Voor deze inbreuk op het eigendomsrecht bestaat geen rechtvaardiging. De afbouw van de overdraagbare heffingskorting treft in essentie alleen de armere eenverdienerhuishoudens. Van aanmoediging tot arbeidsparticipatie is immers geen sprake bij eenverdienerhuishoudens met voldoende box 2 of box 3 inkomen, die wél gebruik kunnen maken van de korting. Dat is een - niet te rechtvaardigen - discriminatoir onderscheid tussen arme en rijke eenverdiener-huishoudens. Individualisering is geen rechtvaardiging, nu de kern van een rechtsstaat is de erkenning van de (gelijk)waardigheid van ieder mens, zodat een mens niet mag worden geinstrumentaliseerd, ook niet voor het doel ‘verhoging van de betaalde arbeidsparticipatie’.
verweerstelt de Staatssecretaris dat de uitspraak van het Hof op alle bestreden standpunten juist en begrijpelijk is.
repliekherhaalt de belanghebbende dat de algemene heffingskorting - net zoals de voorafgaande belastingvrije som - het belastingvrij stellen van een bestaansminimum beoogt. Het afschaffen van de korting is een beschavingsinbreuk.
4.Leefvormneutraliteit en draagkracht in de Duitse inkomstenbelastingheffing
Grundgesetzschond, welke bepaling de Staat verbood te interveniëren in het huwelijk en in het gezin. Daarop werd per 18 juli 1958 de
Gesetz zur Änderung steuerlicher Vorschriften auf dem Gebiet der Steuern vom Einkommen und Ertrag und des Verfahrensrechtsingevoerd die
Ehegattensplittingmogelijk maakte.
Splittingkan tot progressievoordeel voor echtelieden leiden vergeleken met een alleenstaande die in zijn eentje hetzelfde verdient als twee echtelieden gezamenlijk (‘splitsingsvoordeel‘).
Einkommensteuergesetz(EStG) bepaalt tegenwoordig dat inkomstenbelasting wordt geheven naar de netto-inkomsten van personen. Slechts het vrij besteedbare inkomen kan belast worden bij deze op
leistungsfähigkeit(draagkracht) gebaseerde belasting. Het Duitse systeem kent volgens
Tipke [10] twee soorten netto-inkomen - het objectieve (beroeps-gerelateerde) netto-inkomen en het subjectieve (private) netto-inkomen - en daarmee twee nettobeginselen:
berufliches und privates Nettoprinzip. [11] Het eerste houdt in dat een deel van het bruto-beroepsinkomen niet beschikbaar is voor consumptie omdat er met het beroep samenhangende uitgaven uit moesten worden betaald. [12] Het Duitse systeem kent daarop echter ook uitzonderingen in geval van botsing met andere rechtsbeginselen, [13] zoals de aftrekuitsluiting van geldstraffen, boeten en steekpenningen. Het tweede (subjectieve) begrip houdt in dat een zeker deel van het inkomen moet worden besteed aan
unvermeidbarer Privataufwendungen [14] zoals uitgaven nodig om te voorzien in het eigen onderhoud, onderhoud van kinderen en andere onvermijdelijke onderhouds- en privéuitgaven. [15]
Grundfreibetragwaarvoor een belastingtarief ad 0% geldt (par. 32a(I)(1) EStG). Deze
de factouitzondering van belastingheffing ad - in 2017 - maximaal € 8.820, strekt tot het zeker stellen van een
Existenzminimumvoordat belasting wordt geheven. Anders dan de heffingskortingen in hoofdstuk 8 van de Wet IB 2001, is het
Existenzminimumte kenschetsen als een belastingvrije som, die voor alle belastingplichtigen geldt, ongeacht de hoogte van het inkomen. [16] Dit strookt met art. 1(I) van de Duitse
Grundgesetz(GG), dat bepaalt:
Existenzminimumvindt ook grondslag in de artt. 20(I) en 28(I)(1) GG, die bepalen dat Duitsland een democratische en sociale Bondsstaat is. [17] Volgens het BVerfG kan voor het als bestaansminimum aan te merken belastingvrije bedrag aansluiting worden gezocht bij de daarop afgestemde bedragen in de sociale wetgeving: [18]
Gesetz zur Änderung des Einkommensteuergesetzes in Umsetzung der Entscheidung des Bundesverfassungsgerichtesis vervolgens per 7 mei 2013 inkomenssplitsing ook toegestaan voor levenspartnerschappen.
5.De Nederlandse wetgeving en dier parlementaire geschiedenis
aanrechtsubsidie’. Door aanhangers van een gezinsdraagkracht werd deze overdrachtsmogelijkheid evenwel ervaren als een logisch uit het stelsel van gezinsdraagkracht voortvloeiende consequentie, waaraan niet getornd mocht worden.
de factobepaald op gezinsniveau; [40] niet individueel. Na de introductie van deze regeling is het debat erover niet verstomd. Stevens schrijft daarover: [41]
6.Grondrechten
Konstantin Markin v. Ruslandwas de appellant een militair die in verband met een problematische thuissituatie 3 jaar ouderschapsverlof verzocht, dat hij zou hebben gekregen als hij een vrouw in militaire dienst was geweest. [50] Ook wilde hij een toelage, om dezelfde reden. Over de toepasbaarheid van art. 8 (juncto 14) EVRM overwoog het EHRM:
Di Trizio v. Zwitserlandbetrof een deels arbeidsongeschikte die volgens een op bepaalde veronderstellingen gebaseerde berekeningsmethode geen recht meer had op een arbeidsongeschikheidsuitkering. [51] Die berekeningsmethode wilde nog wel eens tot verlies van uitkering leiden met name bij vrouwen die parttime gingen werken na de geboorte van hun kinderen. Het EHRM achtte art. 8 en Pro 14 EVRM in beginsel van toepassing, benadrukte dat het EVRM niet enige specifieke levensstandaard garandeert, ook al ziet art. 8 EVRM Pro niet alleen op immateriële, maar ook op materiële belangen:
Pressos Compania Naveira e.a. v. België [53] betrof schade aan schepen ter zake waarvan ingevolge Belgisch aansprakelijkheidsrecht een recht bestond op vergoeding door de Staat. Het veroordelende vonnis was echter nog niet definitief (hoger beroep liep) toen België zijn wetgeving wijzigde om staatsaansprakelijkheid uit te sluiten. De vraag was of de niet-onherroepelijke aanspraak op schadevergoeding ex het eerste-aanlegvonnis een ‘eigendom’ was. Het EHRM oordeelde:
Gaygusuz v. Oostenrijkbetrof een gestelde aanspraak op een sociale uitkering (‘emergency assistance’) die door de Staat geweigerd werd uitsluitend op grond van de nationaliteit van Gaygusuz, hoewel deze aan alle overige eisen voldeed. Het EHRM beschouwde deze aanspraak op een ‘pecuniary right’ als een eigendomsrecht: [54]
Prins Hans-Adam II van Liechtenstein v. Duitsland [55] blijkt dat een aanspraak juridische merites moet hebben (“a legitimate expectation of obtaining effective enjoyment”) om binnen de reikwijdte van art. 1 EP Pro te vallen. Een aanspraak die slechts hoop op (herleving van) een eigendomsrecht behelst, is onvoldoende om van eigendom te kunnen spreken:
Öneryldiz v. Turkije [56] overwoog het EHRM dat niet het nationale recht beslissend is, maar dat het gaat om een autonoom Conventie-begrip dat de betrokkene ‘title to a substantive interest’ geeft, waaronder ook een ‘reasonable and legitimate expectation to effective enjoyment’ kan vallen:
P.M. v. UK [57] betrof een vader aan wie aftrek van de alimentatie voor zijn dochter werd geweigerd omdat de relatie waaruit het kind geboren was geen huwelijk was. Het Hof oordeelde als volgt:
Muñoz Díaz vs. Spanje [58] betrof de Spaanse weigering van een nabestaandepensioen aan een Roma die naar de Roma-traditie en volgens de daarbij behorende rituelen gehuwd was geweest op de grond dat het huwelijk niet volgens de Spaanse civiele wet was gesloten. Of het hier om een eigendomsrecht ging, hing met name af van de afdwingbaarheid van het recht op een uitkering na toepassing van een
‘but for’-test:
BNB1990/61 [59] betrof ongunstiger behandeling van ongehuwd samenwonenden dan gehuwd samenwonenden. Het geschil betrof een regeling waarvoor gehuwden wél hun inkomens samen mochten tellen en als gezin worden belast, terwijl niet-gehuwden dat niet mochten. U oordeelde:
BNB2001/162 [60] betrof de omschrijving van ‘pleegkinderen’ in art. 19(2) van de Successiewet (SW), die net als kinderen in aanmerking komen voor het lage tarief ex tariefgroep I van art. 24 SW Pro. De belanghebbende voldeed niet aan die omschrijving. Het weigeren van het lage tarief was zijns inziens een schending van art. 8 EVRM Pro omdat de omschrijving in art. 19 SW Pro een pleegkind zou dwingen om de omgang met zijn natuurlijke moeder te minimaliseren. U overwoog:
7.Beoordeling van het cassatieberoep
maal de heffingskorting. Deze regeling bezwaart de belanghebbende vooral omdat zij volgens haar mensen dwingt tot individuele economische zelfstandigheid. De wetgever miskent met deze regeling dat er in Nederland gezinnen zoals dat van de belanghebbende en haar man zijn die de taken zo willen verdelen dat de ene partner verantwoordelijk is voor het huishouden en de andere voor de kost. De klachten behelzen in de kern dat hen de vrijheid wordt ontnomen hun gezinsleven naar eigen inzicht in te richten omdat zulks fiscaal bestraft wordt doordat het voor een bestaansminimum benodigde inkomen niet vrij van belasting wordt gelaten.
Z.H. en R.H. vs. Zwitserland, [61] waarin hij overweegt dat
BVerfGover fiscale leefvormneutraliteit en draagkracht op basis van met name de artt. 1 en 20 van de Duitse Grondwet, die de Duitse inkomstenbelastingwetgever heeft genoopt tot invoering van het systeem dat de belanghebbende kennelijk voorstaat. Dat de Duitse Grondwet volgens de Duitse constitutionele rechter tot leefvormneutraliteit en betere bestaansminimumbescherming noopt, impliceert echter geenszins, anders dan de belanghebbende betoogt, dat de Nederlandse rechter, die niet aan zijn Grondwet mag toetsen, verplicht zou zijn om aan bepalingen van het EVRM dezelfde betekenis toe te kennen die de Duitse constitutionele rechter aan anders luidende bepalingen in de Duitse Grondwet toekent, met name niet voor zover de belanghebbende stelt dat ook de Nederlandse rechter ervoor moet zorgen dat het inkomen per gezin belastingvrij moet zijn tot het minimumbijstandniveau maal het aantal gezinsleden. Dat het Duitse (of Deense, of Portugese) systeem mogelijk beter of wenselijker is, is geen reden voor rechterlijk ingrijpen, maar een gevolg van politieke keuzen waar de rechter - althans in Nederland - zich geacht wordt niet mee te bemoeien.