ECLI:NL:HR:2007:AY9475
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- L. Monné
- C.J.J. van Maanen
- C. Schaap
- A.H.T. Heisterkamp
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt weigering heffingskorting bij in Duitsland werkende partner
Belanghebbende, woonachtig in Nederland, werkte in 2001 in Nederland en had een partner die in Duitsland werkte en daar belastingplichtig was. Bij de belastingaangifte werden zij als fiscale partners aangemerkt, waarbij belanghebbende aanspraak maakte op diverse heffingskortingen. De Inspecteur weigerde deze heffingskortingen toe te kennen omdat de partner geen Nederlandse belasting of volksverzekeringspremie verschuldigd was.
Het hof oordeelde dat deze weigering in strijd was met het EU-recht en kende de heffingskortingen toe. De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen cassatie in. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest en oordeelde dat het nationale recht toestaat om heffingskortingen te weigeren wanneer de partner geen Nederlandse belasting of premie verschuldigd is, en dat dit niet in strijd is met het EU-recht.
De Hoge Raad benadrukte dat de heffingskortingen voor de volksverzekeringen niet verplicht zijn op grond van het communautaire recht, en dat de gecombineerde heffingskorting voor de inkomstenbelasting niet kan worden toegekend als er geen belastbaar inkomen is. Tevens wees de Hoge Raad het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwen af en stelde dat de toepassing van de hardheidsclausule niet tot de rechterlijke bevoegdheid behoort.
De Hoge Raad verklaarde het beroep van de Staatssecretaris gegrond, vernietigde het hofarrest voor zover het de vermindering van de aanslag betrof en verklaarde het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat belanghebbende geen heffingskorting krijgt omdat haar partner in Duitsland werkt en geen Nederlandse belasting of premie verschuldigd is.