Belanghebbende, gehuwd en zonder eigen inkomen in 2013, maakte bezwaar tegen de afbouw van haar algemene heffingskorting vanwege het inkomen van haar echtgenoot. Het Hof verklaarde dat deze afbouw niet in strijd is met het EVRM en IVBPR, omdat het doel van de heffingskorting niet is het garanderen van een bestaansminimum, en er geen inbreuk is op eigendomsrechten.
Het Hof oordeelde verder dat de individualisering van het belastingstelsel een legitiem algemeen belang dient en dat het onderscheid tussen een- en tweeverdieners geen ongerechtvaardigde discriminatie vormt. De Hoge Raad bevestigt deze oordelen en wijst klachten over schending van verdragsbepalingen af, waarbij zij de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever op fiscaal terrein benadrukt.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en legt geen proceskostenveroordeling op. Hiermee blijft de afbouw van de algemene heffingskorting voor de minstverdienende partner rechtsgeldig.