Conclusie
eerste middelklaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en de hulpofficier van justitie [betrokkene 1] als getuigen te (doen) horen, meer in het bijzonder dat het hof bij deze afwijzing het noodzakelijkheidscriterium niet zodanig ruim heeft toegepast dat deze in concreto niet wezenlijk zou hebben verschild van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt.
tweede middelklaagt dat de bewijsmiddelen met betrekking tot de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel innerlijk tegenstrijdig zijn.
derde middelklaagt dat het hof ten onrechte de kosten van de betrokkene aangaande het stroomverbruik aan Stedin Netbeheer B.V. niet in mindering heeft gebracht op de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel, nu de kosten die de betrokkene in dit verband heeft gemaakt “in directe relatie staan tot het delict”. [1]
vierde middelklaagt dat het hof ten onrechte niet heeft vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden terwijl uit de stukken niet blijkt dat het Openbaar Ministerie, naast de voorziene uitreiking aan de griffier om reden dat de betrokkene niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog aan de betrokkene te betekenen hetzij aan hem in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv zodat wel degelijk sprake is van overschrijding van de termijn wegens inactiviteit van de zijde van het Openbaar Ministerie.
NJ2008/358 van belang. Daarin is onder meer de volgende overweging opgenomen: