Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het vierde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
5 december 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdediging stelde dat sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn, met name vanwege een langdurige inactiviteit in de procedure.
Het hof oordeelde dat de redelijke termijn niet was overschreden. Het vonnis van de politierechter werd op 28 december 2012 bij verstek gewezen, en binnen een jaar was de mededeling van het vonnis aan de griffier betekend. De behandeling in hoger beroep vond binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep plaats. Het hof verwierp het betoog van de verdediging dat sprake was van langdurige inactiviteit niet aan betrokkene toe te rekenen.
De Hoge Raad toetst het oordeel van het hof slechts beperkt en concludeert dat het oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk is. De enkele omstandigheid dat het Openbaar Ministerie niet heeft aangetoond dat het in een bepaalde periode de mededeling aan betrokkene heeft betekend, leidt niet tot een ander oordeel. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de redelijke termijn niet is overschreden.