Conclusie
1.Feiten
“de Vorderingen, inclusief alle nevenrechten en inclusief alle ten tijde van de ondertekening van deze akte reeds opeisbare rente, onder de verplichting datgene dat als schadevergoeding aan de Stichting wordt toegekend uit te keren overeenkomstig de Schadeclaimsamenwerkingsovereenkomst voornoemd, welke overdracht de Stichting hierbij aanvaardt.”
2.Het procesverloop
€ 84.968.130,-- althans € 67.974.504,-- althans een dusdanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht, vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum waarop het verzuim is ingetreden; alsmede tot betaling van de kosten van het geding met nakosten, alles uitvoerbaar bij voorraad.
dezedan mogelijkerwijs alsnog door [betrokkene 1] in te stellen vorderingen, behoorlijk konden verweren. De brieven voldoen niet aan dit vereiste.
van [betrokkene 1] .Die kenbaarheid blijkt echter niet uit die brieven. Ten eerste werden deze brieven niet alleen verstuurd namens [betrokkene 1] (toen [betrokkene 1] ), maar ook namens Kalexer II N.V. en Brains International N.V. De brieven strekten blijkens hun inhoud tot stuiting van de verjaring van
al hun(dus zowel van [betrokkene 1] als van Kalexer II en van Brains)
mogelijke rechtsvorderingen jegens [eiseres 2] naar aanleiding van en/of in verband met de IPO van WOL.De stuitingsbrieven specificeerden dus niet dat het ging om een vordering
van [betrokkene 1]( [betrokkene 1] ) op [eiseres 2] .
3.Bespreking van de cassatieklachten
subonderdeel 1.2zou het hof hebben miskend dat voor het leveren van bewijs geen plaats is nu de vermeende toezeggingen [11] in de brief niet worden genoemd en het hof in rov. 3.16. heeft geoordeeld dat die brief niet een voldoende duidelijke waarschuwing bevat terzake van de vermeende toezeggingen. In dat licht zou van een ondubbelzinnige mededeling geen sprake kunnen zijn. De context waarin de brief is geschreven en de overige omstandigheden van het geval zouden dan niet tot het oordeel kunnen leiden dat die mededeling alsnog voor ondubbelzinnig zou moeten worden gehouden. Een ander oordeel zou de beoogde rechtszekerheid voor de schuldenaar tenietdoen.
subonderdeel 1.3zou in rov. 3.18. besloten liggen dat het bewijs dat de brief voldoet aan de eisen van art. 3:317 lid 1 BW Pro kan worden geleverd door alle middelen rechtens, waaronder het horen van getuigen. Daarmee zou het hof hebben miskend dat indien de tekst van de stuitingsbrief onvoldoende duidelijk is, het oordeel dat die brief toch een voldoende duidelijke mededeling bevat dat de schuldeiser zich alle rechten voorbehoudt slechts door schriftelijke mededelingen kan worden geschraagd. Een ander oordeel zou ontoelaatbaar afbreuk doen aan de schriftelijkheidseis van art. 3:317 BW Pro en de rechtszekerheid.
Subonderdeel 1.4betoogt dat het hof, gezien het oordeel dat de tekst van de brief op zichzelf niet voldoende duidelijk is, onvoldoende heeft gemotiveerd welke rol toekomt aan getuigenbewijs en hoe de bewijslevering verenigbaar zou zijn met de schriftelijkheidseis van art. 3:317 lid 1 BW Pro.
onderdeel 1.
subonderdeel 2.1zou het hof een te lichte maatstaf hebben toegepast bij de beoordeling of sprake is van een
ondubbelzinnigemededeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW Pro. Indien het hof wel zou zijn uitgegaan van een juiste maatstaf, dan is zijn oordeel volgens het subonderdeel onbegrijpelijk gelet op de stelling van [eiser c.s.] dat hen niet duidelijk was dat de brief bedoeld was om ook de verjaring te stuiten van de (vordering inzake de) vermeende toezeggingen. [eiser c.s.] hebben daartoe gewezen op de volgende stellingen uit hun memorie van antwoord en pleitnotities:
“waaronder die wegens niet-nakoming van gedane toezeggingen”.Kennelijk vond ook (de toenmalige advocaat van) [betrokkene 1] de formulering in de onderhavige brief onvoldoende duidelijk; [20]
behorente begrijpen. De Stichting heeft in dat verband onder meer gesteld en te bewijzen aangeboden dat nakoming/schadevergoeding steeds is toegezegd, maar eerst zodra de kwesties met het OM en de FIOD en met de claims van de beleggers opgelost waren (stellingen (a) tot en met (c), een exacte weergave staat in randnummers 2.12 en 3.5 hiervoor). Dit betoog kan – indien bewezen – het oordeel dragen dat [eiser c.s.] redelijkerwijs dienden te begrijpen dat de brief van 2 maart 2005 ook betrekking had op de vordering met betrekking tot de niet-nagekomen toezegging. Deze tekst van de brief van 2 maart 2005 heeft immers (mede) betrekking op claims met betrekking tot de beursgang (rov. 3.16. van het bestreden arrest) en uit de stellingen (a) tot en met (c) van de Stichting zou, indien bewezen, de afspraak tussen partijen volgen dat de vordering inzake de niet nagekomen toezegging eerst daarna wordt afgewikkeld. De verhouding met de claims van de beleggers – waarop stelling (iv sub b) betrekking heeft – zou in dat geval ook direct duidelijk zijn.
Subonderdeel 2.1faalt dus.
‘de vordering van [betrokkene 1] inzake de niet nagekomen toezegging aan [betrokkene 1] .’Als het hof het onderscheid tussen de toezeggingen niet relevant heeft geacht, dan is dat oordeel volgens het subonderdeel onjuist, omdat het hof dan een te lichte maatstaf heeft aangelegd bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een
ondubbelzinnigemededeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW Pro.
subonderdelen 2.2 en 2.3lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Zij falen op de navolgende gronden. Vooropgesteld moet worden dat het hof blijkens rov. 3.4. onder ogen heeft gezien dat het gaat om twee verschillende toezeggingen. Verder is van belang dat de beide genoemde toezeggingen betrekking hebben op een bonus van 1,5% voor [betrokkene 1] bij de beursgang van WOL. De gestelde toezeggingen zijn wel gedaan door twee verschillende partijen (namelijk [eiseres 2] respectievelijk [eiser 1] in privé). Het betoog van de Stichting komt er echter op neer dat door [eiser c.s.] (dus door deze beide partijen) nakoming/schadevergoeding steeds is toegezegd, maar eerst zodra de kwesties met het OM en de FIOD en met de claims van de beleggers opgelost waren. Dat betoog kan – indien bewezen – het oordeel dragen dat zowel [eiseres 2] als [eiser 1] redelijkerwijs dienden te begrijpen dat de brief van 2 maart 2005 ook betrekking had op de vordering met betrekking tot de niet nagekomen toezegging. Bij bewijslevering zou ook kunnen blijken dat dit betoog ten aanzien van één van deze partijen wel, en ten aanzien van de andere partij niet bewezen wordt. Eerst in dat geval zou er aanleiding zijn om onderscheid te maken tussen de beide genoemde toezeggingen.
subonderdeel 2.4valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom de omstandigheden (a) dat tussen partijen ook na de beursgang nog regelmatig over nakoming van die toezeggingen zou zijn gesproken, (b) dat nakoming zou zijn toegezegd en (c) dat zou zijn afgesproken om het geschil niet openbaar te maken, een ander oordeel kunnen rechtvaardigen over de vermeende toezegging om de bonus in het prospectus te laten opnemen. [23] Die omstandigheden zouden allemaal betrekking hebben op het alsnog nakomen van de toezeggingen, terwijl de inhoud van het prospectus vóór de beursgang is vastgesteld en daarna niet meer kon worden gewijzigd, zodat nakoming van de vermeende toezegging om de bonus in het prospectus op te nemen niet meer mogelijk was.
alsnogkan worden ingevuld, op nakoming door
schadevergoeding [24] en op de toezegging dat een en ander zou worden
goedgemaakt. Daarin ligt besloten dat het betoog mede betrekking heeft op de periode dat de bonus niet meer in het prospectus kon worden opgenomen.
onderdeel 2geen doel treft.