Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
overeengekomen executie door [verzoekster] als pandhouder via [betrokkene 1], de executieopbrengst voor [verzoekster] hield, althans ook voor [verzoekster] hield en dat [verzoekster] uit hoofde van haar pandrecht voorrang op de executieopbrengst had [24] . [verzoekster] stelt dat zij, gegeven het ontbreken van overeenstemming tussen haar en de Curatoren over de verdeling van de executieopbrengst, wel om een rangregeling kon verzoeken.
motiveringsklacht(cassatieverzoekschrift p. 4) die reeds faalt omdat zij - als ik het goed zie - berust op het onjuiste uitgangspunt dat [verzoekster] op een van de twee voorgedragen gronden om een rangregeling had kunnen verzoeken.
toelichting onder 1 t/m 8) op dat uit de door het hof vastgestelde feiten volgt dat ook zij de gerechtelijke uitspraken heeft doen executeren [47] en dat de deurwaarder het depotbedrag ex art. 477 lid 1 Rv Pro heeft ontvangen [48] . In de relatie tussen [betrokkene 1] c.s. - waartoe ook zij behoort - en [belanghebbende 5 en 6] is volgens [verzoekster] dan ook sprake van een executie en een executieopbrengst in de zin van art. 480 en Pro 481 Rv, zodat het aldus in handen van de deurwaarder gestelde bedrag op grond van art. 477 lid 5 Rv Pro verder diende te worden geëxecuteerd overeenkomstig de gewone daarvoor geldende regels [49] . Indien meer beslagleggers of anderen aanspraak maken op de opbrengst, zal een rangregeling moeten volgen in de zin van art. 480 e.v. Rv [50] . Reeds hierom had het hof volgens [verzoekster] moeten oordelen dat zij om een rangregeling kon verzoeken. [51]
onder 29op te willen komen tegen het oordeel dat geen sprake is van executoriaal beslag op een goed van [betrokkene 1] , noch van executoriaal beslag op de opbrengst van de executie van een goed van [betrokkene 1] , doch zulks tevergeefs. Anders dan [verzoekster] veronderstelt, doet de omstandigheid dat het vermogen van [betrokkene 1] door het faillissement onder een algemeen faillissementsbeslag is komen te vallen in zoverre niets af aan ’s hofs oordeel.