Conclusie
opzettelijke overtreding van het bepaalde in artikel 11 van Pro de Landsverordening Melding ongebruikelijke transacties, zoals strafbaar gesteld in artikel 23 lid 1 van Pro deze Landsverordening, begaan door een rechtspersoon, aan welke verboden gedraging zij feitelijk leiding gaf”. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een geldboete van NAf 10.000,-, te vervangen door 85 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren.
dat [A] N.V. als degene die beroeps- of bedrijfsmatig een financiële dienst verleent (als bedoeld in artikel 1 van Pro de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties), in of omstreeks de periode van 1 november 2004 tot en met 1 juli 2007, meermalen, opzettelijk, heeft nagelaten verrichte ongebruikelijke transacties (als bedoeld in artikel 1 van Pro de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties) onverwijld te melden aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (als bedoeld in artikel 1 van Pro de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties),immers heeft [A] N.V. nagelaten contante stortingen te hare kantore te melden aan voornoemd Meldpunt (Bijlage 9 van het proces-verbaal),het betreft de volgende stortingen:
het hele Offshore gebeuren”. [6] De verdachte behoorde als bestuurder tot de directie. De directieleden waren allen gelijkelijk bevoegd. Binnen het bedrijf hadden de directieleden geen gescheiden verantwoordelijkheid.
eerste middelklaagt dat het bewezenverklaarde opzet van [A] niet uit de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen kan worden afgeleid en de bewezenverklaring op dit punt onvoldoende met redenen is omkleed.
[A] welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat art. 11 van Pro de Landsverordening Melding Ongebruikelijke Transacties zou worden overtreden.” Tevens wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid “
dat [A] op de hoogte was van de exacte regelgeving omtrent het doen van MOT-meldingen en de voorwaarden waaronder een MOT-melding diende te worden gedaan.” Van dezelfde opvatting – die erop neerkomt dat voor de bewezenverklaring ‘boos opzet’ is vereist – getuigt de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet valt af te leiden “
dat [A] welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat art. 11 van Pro de Landsverordening Melding Ongebruikelijke Transacties zou worden overtreden” en de klacht dat de gebruikte bewijsmiddelen “
de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat [A] als fiduciaire dienstverlener beter op de hoogte had moeten zijn van de regelgeving”, maar dat dit “
onvoldoende” is “
om te komen tot (voorwaardelijk) opzet op het nalaten transacties te melden bij het MOT.”
tweede middelklaagt dat het bewezenverklaarde feitelijke leidinggeven niet uit de gebruikte bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Subsidiair wordt geklaagd dat het oordeel van het Hof, dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, onbegrijpelijk is gelet op het gevoerde verweer met betrekking tot de feitelijke positie van de verdachte binnen het bedrijf.
de bewezenverklaring, voor zover inhoudende ‘aan welke verboden gedraging zij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven’ niet zonder meer kan worden afgeleid uit 's Hofs bewijsvoering.” In de onderhavige zaak is echter niet dezelfde bewezenverklaring aan de orde en evenmin dezelfde bewijsconstructie: het Hof heeft het vonnis van het gerecht in eerste aanleg bevestigd en de bewijsconstructie aangevuld.
vast moet komen te staan dat verzoeker, nu zij niet zelf actief de verboden gedraging heeft bevorderd, maatregelen ter voorkoming van strafbare feiten (in casu het opzettelijk niet doen van MOT-meldingen) achterwege moet hebben gelaten, hoewel zij tot het nemen van dergelijke maatregelen bevoegd en redelijkerwijs gehouden was en zij daarbij bewust de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard dat de verboden gedragingen zich zouden voordoen.”Met dit vereiste wordt aangesloten bij het overzichtsarrest van 26 april 2016 waarbij de Hoge Raad, zoals hij zelf heeft overwogen, heeft beoogd op hoofdlijnen een verduidelijking van het beslissingskader te bieden over de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging als bedoeld in artikel 51 Sr Pro. [9]
meer passieve rol” heeft gespeeld bij de door de rechtspersoon verrichte verboden gedraging. Uit de door het Hof voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte, die zij ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 maart 2016 heeft afgelegd, blijkt dat zij zelf “
alle geld” aannam en ermee deed “
wat ik ermee moest doen”. Uit dezelfde verklaring blijkt dat de verdachte heeft nagelaten de ongebruikelijke transacties, die zij zelf heeft verricht door het geld aan te nemen, te melden. Hieraan heeft het Hof kennelijk de niet-onbegrijpelijke gevolgtrekking verbonden dat de verdachte geld dat als ongebruikelijke transactie had moeten worden gemeld, zelf heeft aangenomen en vervolgens heeft nagelaten deze te melden.
de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid”. Uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt een verdergaande betrokkenheid van de verdachte, en wel omdat zij dat beleid eigenhandig heeft vormgegeven en uitgevoerd door de stortingen zelf te ontvangen en te verwerken.
geen gescheiden verantwoordelijkheid binnen het bedrijf” hebben, welke verklaring door het Hof voor het bewijs is gebruikt.
derde middelklaagt dat het Hof ten onrechte bewezen heeft verklaard dat de rechtspersoon waaraan de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke overtreding van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties. Subsidiair wordt geklaagd dat de bewezenverklaring hiervan ontoereikend is gemotiveerd, mede gelet op een gevoerd verweer.
financiële dienst” verleende zoals is bedoeld in artikel 1 aanhef Pro Landverordening melding ongebruikelijke transacties, zodat [A] evenmin was verplicht de bewezenverklaarde transacties te melden.
Vervolgens wordt nog overwogen dat verdachte als directeur en andere directeuren en medewerkers van [A] contante stortingen hebben aangenomen in de vorm van contant geld dan wel cheque’s ten behoeve van hun cliënten. [A] verricht derhalve deze financiële dienst in de zin van de Landsverordening MOT en is daarmee verplicht de meldingen te doen. Dat de gestorte bedragen niet ten gunste komen van [A] , doch worden ontvangen voor de derdengeldrekening van [A] ( [J] Ltd.), dan wel voor rekening van hun cliënten, doet hieraan niets af.”
In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
financiële dienst: het in of vanuit de Nederlandse Antillen:
Tenslotte merken ondergetekenden op dat een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig een van de financiële diensten van artikel 1, onderdeel a, verricht meldingsplichtig is. De meldingsplicht is dus functioneel omschreven. Dit betekent dat voor zover trusts, advocaten, notarissen, accountants en administratiekantoren een van deze diensten beroeps- of bedrijfsmatig verrichten zij onder de meldingsplicht vallen.” [12]
vierde middelklaagt dat met de bewezenverklaring wordt miskend “
dat [A] in een later stadium op last van de Centrale Bank alsnog heeft voldaan aan haar meldplicht”. Subsidiair wordt geklaagd dat het Hof niet heeft gerespondeerd op het ter zake gevoerde “
(verkapte) kwalificatieverweer”.
dat [A] in een later stadium op last van de Centrale Bank alsnog heeft voldaan aan haar meldplicht”. In de toelichting is hieraan ter nadere onderbouwing toegevoegd dat de bewezenverklaarde opzettelijke schending van de meldingsplicht niet bewezen kon worden verklaard omdat aan [A] “
als het ware – een laatste termijn[is]
gegund door de instantie onder wiens toezicht het trustkantoor staat binnen welke termijn de meldingen daadwerkelijk alsnog zijn gedaan.”
opzettelijk […] heeft nagelaten verrichte ongebruikelijke transacties (als bedoeld in artikel 1 van Pro de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties) onverwijld te melden aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties” en verder zoals dat hierboven onder 5 is weergegeven.
Een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig een financiële dienst verleent, is verplicht een daarbij verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld te melden aan het Meldpunt.”
de door [A] verstrekte gegevens aan het MOT niet overeenkomstig artikel 11[zijn]
verstrekt, aangezien van eenonverwijlde
melding geen sprake was.”
onverwijldemelding geen sprake was, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.
In het voorgestelde artikel 11, eerste lid, is verder bepaald dat een melding onverwijld dient plaats te vinden, dat wil zeggen zodra de ongebruikelijke aard van de transactie aan de financiële instelling kenbaar is geworden.” [13]
(verkapt) kwalificatieverweer” (waaraan het Hof ongemotiveerd voorbij zou zijn gegaan), wijs ik erop dat dit verweer is weerlegd met de overweging van het gerecht in eerste aanleg die erop neerkomt dat de melding niet onverwijld is gedaan. Gelet op de hierboven weergegeven memorie van toelichting geeft de overweging van het gerecht in eerste aanleg geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.
vertrouwen dat er niet alsnog een strafrechtelijke vervolging zou plaatsvinden ter zake van de transacties waarvan de melding alsnog heeft plaatsgevonden”, miskent het middel dat dit niet ter terechtzitting van het Hof is aangevoerd, tenminste niet voor zover dit kan blijken uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal en de aldaar overgelegde pleitnota. In cassatie kan niet met succes voor het eerst een dergelijk beroep worden gedaan.
aanbevelingen van de Centrale Bank” is aangevoerd dat toen [A] en de verdachte eenmaal van de meldingsplicht op de hoogte waren, de rechtspersoon de eenmaal bekende meldingsplicht niet heeft geschonden omdat de meldingen van de ongebruikelijke transacties op aanbeveling van de Centrale Bank alsnog zijn gedaan. Het ter terechtzitting gedane beroep op rechtsdwaling heeft echter een andere inhoud dan het verweer waarop in cassatie een beroep wordt gedaan, namelijk op het vertrouwen dat “
er niet alsnog een strafrechtelijke vervolging zou plaatsvinden”.
vijfde middelklaagt over de verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Het Hof heeft het verweer verworpen en zou daarbij, zo wordt aangevoerd, een onjuiste maatstaf hebben toegepast, te weten het zogenoemde Zwolsmancriterium. Daarmee zou het Hof hebben miskend dat een aantoonbare schending van het gelijkheidsbeginsel op zichzelf reeds zou kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM.
CONCLUSIE:
Concluderend wordt Uw Hof verzocht om:
ernstig inbreuk heeft gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.”
Schending van algemene beginselen van behoorlijk strafproces”, waaraan de conclusie wordt verbonden “
dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard aangezien geen sprake kan zijn van een eerlijk proces.” Gelet op het ratjetoe dat aan het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring ten grondslag is gelegd, terwijl het beroep op het gelijkheidsbeginsel nauwelijks is voorzien van een feitelijke uitwerking, acht ik het op zichzelf niet onbegrijpelijk dat het Hof bij de beoordeling ervan het zogenoemde Zwolsmancriterium als maatstaf heeft gehanteerd, zulks in aanvulling op hetgeen het gerecht in eerste aanleg reeds had overwogen omtrent het beroep op schending van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. [14] Zo bezien heeft het Hof de juiste maatstaf aangelegd zodat het middel om die reden faalt.