Conclusie
3.Het middel
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
2.Beslissing
Dan het punt van de ‘psychische gesteldheid’. Uit de door de raadsman overgelegde stukken kan mijns inziens niet meer blijken dan dat het gaat om een aantal onsamenhangende aantekeningen van de verdachte en een handgeschreven brief die niet goed te volgen is, maar waarvan de strekking duidelijk is in die zin dat de verdachte het niet eens is met haar veroordeling. Daaruit kan niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat bij de verdachte sprake was van een ’psychische gesteldheid’ zoals hiervoor onder 3.6 bedoeld. Dan zal er sprake moeten zijn van een toestand, waarvan de aard en intensiteit zodanig is dat het laten verlopen van de termijn voor het aanwenden van het rechtsmiddel daaraan kan worden toegeschreven. Dat stelt dus ook eisen aan de duur van de psychische gesteldheid – dat (enkel) de brief van verwardheid blijk geeft zegt uiteindelijk niet zoveel. Verder geldt dat het termijnverzuim moet kunnen worden toegerekend aan de psychische gesteldheid. De oorzaak van de ‘verwarde toestand’ is dus ook op een ander vlak van belang: zelf-geïnduceerde verwarring kan aan toerekening in de weg staan. Welnu, omtrent dit pakket aan eisen blijkt nauwelijks iets uit hetgeen de raadsman heeft aangevoerd. Daarnaast heb ik in het dossier geen rapportages, verhoren van de verdachte dan wel andere stukken aangetroffen die – al was het maar als begin - het door de raadsman aangevoerde zouden kunnen ondersteunen. Bij deze stand van zaken, waarin sprake is van een weinig indringend betoog van de raadsman met een gebrekkige onderbouwing daarvan, dat het hof niet nader – als het ware ambtshalve - behoefde te onderzoeken of en zo ja gedurende welke periode na de uitspraak van de politierechter de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid verkeerde dat hij niet in staat was te beoordelen of een rechtsmiddel diende te worden ingesteld. [4]