Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
J.J. Komen en Zonen Beheer Heerhugowaard [2] .In die zaak waren slechts sloopwerkzaamheden uitgevoerd en moesten de eigenlijke constructiewerkzaamheden, die na de levering door de koper zouden worden uitgevoerd, nog beginnen. De omstandigheid dat de verbouwingswerkzaamheden in de onderhavige zaak op het tijdstip van de levering wel reeds waren begonnen, leidt het Hof tot het oordeel dat in het onderhavig geval sprake is van een levering van een gebouw en het erbij behorende terrein vóór het tijdstip van eerste ingebruikneming. Uit de stukken van het geding blijkt volgens het Hof niet dat sprake is geweest van een andere economische realiteit dan wel van andere uiteindelijke intenties van partijen.
Don Bosco Onroerend Goed [3] ,
Komen en Zonen Beheer Heerhugowaarden
Woningstichting Maasdriel [4] in ogenschouw moeten nemen. Nu het Hof geen helder antwoord heeft gegeven op de vraag wat het exacte voorwerp is van de prestatie van de verkoper, geeft de bestreden uitspraak naar zijn mening onvoldoende inzicht in de door het Hof gevolgde gedachtegang en is daarom gebrekkig gemotiveerd. Voor zover uit de bestreden uitspraak wel een gedachtegang valt af te leiden, acht de Staatssecretaris deze gedachtegang onjuist. Daar de verbouwing door en namens belanghebbende plaatsvindt en de verkoper zich daartoe op geen enkele wijze heeft verbonden en de betrokkenheid van de verkoper slechts de aanvraag van de sloopvergunning betreft, dient bij de prestatie van de verkoper naar de mening van de Staatssecretaris geen acht te worden geslagen op de aangevangen verbouwingswerkzaamheden en wellicht evenmin op de namens belanghebbende voor de levering verrichte sloopwerkzaamheden.
3.Het geding in feitelijke instanties
Van Dijk’s Boekhuis [8] , dat sprake is van een vervaardigd goed in de zin van artikel 11, derde lid, aanhef en onderdeel b, Wet OB, indien door de werkzaamheden aan een onroerende zaak in wezen nieuwbouw heeft plaatsgevonden.
HR BNB 2011/42 [9] volgt naar het oordeel van de Rechtbank namelijk dat in dit kader niet beslissend is of het pand na verbouwing al dan niet is te vereenzelvigen met het pand zoals dat bestond voor de verbouwing.
HR BNB 2012/153 [10] . Gezien de omvang van de verrichte werkzaamheden acht de Rechtbank aannemelijk dat de constructie van het gebouw zodanig is aangetast dat bouwkundig sprake is van sloop van de oudbouw en vervanging door nieuwbouw. In ieder geval acht de Rechtbank aannemelijk dat de bouwtechnische ingrepen zodanig ingrijpend zijn geweest dat de bouwkundige identiteit van het (oorspronkelijke) gebouw door die ingrepen onherkenbaar is gewijzigd.
Van Dijk’s Boekhuisen
HR BNB 2011/42, dat gezien de omvang van de verrichte werkzaamheden uiteindelijk, nadat de verbouwing is voltooid, in wezen nieuwbouw heeft plaatsgevonden en dat dus sprake is van een door verbouwing vervaardigd goed in de zin van artikel 11, lid 3, aanhef en onderdeel b, Wet OB. Het primaire standpunt van de Inspecteur wordt aldus verworpen.
4.Het geding in cassatie
Don Bosco Onroerend Goed, J.J. Komen en Zonen Beheer Heerhugowaarden
Woningstichting Maasdrielin ogenschouw moeten nemen. Nu het Hof geen helder antwoord heeft gegeven op de vraag wat het exacte voorwerp is van de prestatie van de verkoper, geeft de bestreden uitspraak onvoldoende inzicht in de door het Hof gevolgde gedachtegang en is daarom gebrekkig gemotiveerd, aldus de Staatssecretaris.
5.Oud of nieuw gebouw in de Wet OB en de Btw-richtlijn
6.Is een vervaardigd gebouw geleverd?
CPP [16] ,
Stock ’94 [17] en
Don Bosco Onroerend Goed, waar de Staatssecretaris zich op beroept.
Don Boscovolgt dus dat moet worden beoordeeld of de handelingen “die de belastingplichtige levert aan of verricht voor de klant, zo nauw met elkaar zijn verbonden dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische handeling vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn” (punt 37). Het gaat dan uitdrukkelijk om de handelingen waartoe de verkoper zich jegens de koper heeft verbonden, met andere woorden: de handelingen die hij in zijn betrekkingen met de koper heeft verricht (punt 33) c.q. de handelingen waarvoor hij instaat (punt 44). Hoewel het HvJ niet met zoveel woorden in dit arrest heeft beslist dat de handelingen die Don Bosco in aansluiting op de sloopwerkzaamheden in opdracht en voor eigen rekening heeft verricht buiten aanmerking moeten worden gelaten bij de duiding van de prestatie van de verkoper, volgt dat mijns inziens wel overduidelijk uit deze beslissing. Vaststaat immers dat op het betrokken perceel in opdracht en voor rekening van Don Bosco nieuwe gebouwen zijn opgericht. Als het HvJ die bouwwerkzaamheden van de koper wel had meegewogen bij de duiding van de prestatie van de verkoper, zou het einddoordeel van het HvJ in deze zaak niet zijn geweest dat de verkoper aan Don Bosco een onbebouwd terrein heeft geleverd, maar nieuwe gebouwen.
Don Boscois voor de oplossing van het onderhavige geschil
J.J. Komen en Zonen Beheer Heerhugowaard– kortweg:
Komen en Zonen– van belang. Een overeenkomst tussen beide zaken van het HvJ is dat ten tijde van de levering sprake was van een oud gebouw. Tussen de twee zaken bestaat echter ook een cruciaal verschil: in
Komen en Zonenzijn partijen niet overeengekomen dat de verkoper na de levering bijkomende diensten zou verrichten; de koper heeft die diensten zelf verricht. De Hoge Raad overwoog hiertoe in het verwijzingsarrest:
De verrichte werkzaamheden bestonden ten minste uit enkele sloophandelingen.De werkzaamheden zijn na genoemde datum voortgezet in opdracht en voor rekening van belanghebbende. Het geheel van de aan de onroerende zaak door de verkoper en belanghebbende verrichte werkzaamheden heeft tot een nieuw gebouw geleid, zonder dat tijdens die werkzaamheden onbebouwde grond is ontstaan.”
Don Bosco. Het HvJ overweegt naar aanleiding van dit betoog in
Komen en Zonen:
de wilsverklaring van partijen met betrekking tot de btw-behandeling, mits deze wordt ondersteund door objectieve gegevens (zie naar analogie arresten van 14 februari 1985, Rompelman, 268/83, Jurispr. blz. 655, punt 24, en 10 november 2011, Schriever, C‑444/10, Jurispr. blz. I-11071, punt 38).”
door de verkoperop het tijdstip van de levering en, in voorkomend geval, het gebruik van de betrokken onroerende zaak op dat tijdstip.
Woningstichting Maasdriel. Hoewel die zaak (net als
Don Bosco) niet gaat over de vraag of een nieuw gebouw is geleverd, maar over de vraag of de levering van een perceel grond als levering van een bouwterrein kan worden beschouwd, kan daaruit wel worden afgeleid dat bij de beoordeling de werkzaamheden in aanmerking worden genomen die de verkoper op het tijdstip van de levering heeft verricht alsmede de werkzaamheden die hij nog verplicht is te verrichten.
Don Boscokomt het HvJ in
Komen en Zonentot de slotsom dat de verkoper zich jegens de koper heeft verbonden een enkele (niet-samengestelde) handeling te verrichten, te weten: de levering van de onroerende zaak. Die levering is niet de levering van een nieuw gebouw (cursivering van mijn hand):
terwijl de eigenlijke constructiewerkzaamheden om de onroerende zaak, in voorkomend geval,
te verbouwen tot een nieuwe onroerende zaak na die levering in hun geheel door de koper zullen worden uitgevoerd, niet kan worden gekwalificeerd als levering van een gebouw en het erbij behorend terrein vóór eerste ingebruikneming in de context van een verbouwing van een onroerende zaak in de zin van artikel 4, lid 3, sub a, van de Zesde richtlijn.”
Komen en Zonenkan worden afgeleid onder welke omstandigheden een levering van een bestaand gebouw in btw-technische zin in ieder geval niet als levering van een door verbouwing vervaardigd gebouw kan worden aangemerkt. Uit het betreffende arrest volgt immers dat indien de verbouwingswerkzaamheden op het moment van levering nog niet zodanig vergevorderd zijn dat reeds is gestart met de constructiewerkzaamheden en de oudbouw nog in gebruik is, geen sprake is van de levering van een nieuw gebouw. Het HvJ overweegt onder meer:
Komen en Zonen(zie hiervoor) onder geen beding een levering van een door verbouwing voortgebracht goed kan vormen.
Kozuba Premium Selection. In die zaak staat een Poolse nationale regeling centraal die bepaalt dat pas sprake kan [22] zijn van een verbouwing [23] , indien de uitgaven voor die verbouwing ten minste 30% van de ‘beginwaarde’ [24] bedragen. De verwijzende rechter stelt de prejudiciële vraag of (onder meer) deze voorwaarde in overeenstemming is met de Btw-richtlijn.
Komen en Zonen:
na de verbouwing van een gebouwde ingebruikneming als eerste ingebruikneming wordt aangemerkt, indien door die verbouwing een vervaardigd goed is voortgebracht. Op grond van de Nederlandse wet leidt een verbouwing derhalve slechts tot een eerste ingebruikneming indien de verbouwing heeft geleid tot een vervaardigd goed. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat van vervaardiging in deze zin sprake is indien door de werkzaamheden aan de onroerende zaak ‘in wezen nieuwbouw’ heeft plaatsgevonden. [25] Dit vereiste vergt ‘meer’ dan de eis die het HvJ aan een verbouwing stelt, namelijk dat sprake is van een functiewijziging of ingrijpende aanpassingen. Niet elke functiewijziging of ingrijpende aanpassing zal immers leiden tot in wezen nieuwbouw. Nederland mag deze definitie van ‘verbouwing’ in mijn optiek dus hanteren.
Komen en Zonen, het nationale recht in zijn oordeel moeten betrekken, in het bijzonder artikel 11, lid 3, onderdeel b, Wet OB. Het Hof heeft weliswaar het nationale recht in aanmerking genomen bij zijn beoordeling of uiteindelijk, na voltooiing van de verbouwing, een nieuw gebouw is vervaardigd (zie punten 4.8 en 4.9 van de bestreden uitspraak), maar niet bij de beoordeling of het voorwerp van de levering door de verkoper een door verbouwing vervaardigd goed is.