Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
3.Het geding in feitelijke instanties
4.Het geding in cassatie
5.Het begrip ‘vervaardiging’
onroerende staat als levering kan worden beschouwd.
roerendestaat beschouwden als een levering, is overgangsrecht geformuleerd in artikel 28, lid 2, onder h, van de Zesde richtlijn [15] :
goederendoor degene die de goederen heeft vervaardigd;”
goederen, wordt na 1 januari 1996 ineens gesproken over de oplevering van (onroerende)
zaken. Hoewel hiervoor in de wetsgeschiedenis [18] geen verklaring wordt gegeven, vermoed ik dat de wijziging in terminologie te maken heeft met de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek in 1992. Wat hier van zij, het belastbare feit in de Zesde richtlijn en de btw-richtlijn is de levering van
goederen. In deze conclusie zal ik – in weerwil van de wettekst (en de tekst van post b.16 van Tabel I) – spreken over goederen in plaats van zaken.
oplevering van deze goederen onder het verlaagde tarief bleef vallen, is met ingang van 1 januari 1996 post b.16 aan Tabel I toegevoegd. Deze post luidt als volgt:
spraakgebruikte rade te gaan. Volgens het spraakgebruik nu houdt vervaardiging in het
voortbrengen van een goed dat tevoren niet bestond.
van een werk in roerende staatindien een opdrachtnemer e
en nieuw goedmaakt uit materialen die de opdrachtgever hem heeft verstrekt.
Er is een nieuw goed wanneer door het werk van de opdrachtnemer een goed ontstaat waarvan de functie volgens de in het maatschappelijk verkeer gangbare opvattingen verschilt van de functie die de verstrekte materialen hadden.
Het staat aan de nationale rechter om, gelet op het gebruik dat van het goed kan worden gemaakt, te beoordelen of er een nieuw goed is.
het vervaardigen van een werk in roerende staatin de zin van artikel 5, lid 2, sub d, van de Tweede richtlijn en artikel 5, lid 5, sub a, van de Zesde richtlijn, indien een opdrachtnemer
een nieuw goed maakt uit materialen die de opdrachtgever hem heeft verstrekt, en dat er een nieuw goed is wanneer door het werk van de opdrachtnemer een goed ontstaat waarvan de functie volgens de in het maatschappelijk verkeer gangbare opvattingen verschilt van de functie die de verstrekte materialen hadden.”
het voortbrengen van een goed dat tevoren niet bestond”. Vervolgens spitst het HvJ de definitie van ‘vervaardigen’ toe op een werk in roerende staat. Van ‘vervaardiging van een werk in roerende staat’ is slechts sprake: “
indien een opdrachtnemer een nieuw goed maakt uit materialen die de opdrachtgever hem heeft verstrekt”. Door gebruik van de term ‘slechts’ staat buiten kijf dat andere mogelijkheden zijn uitgesloten. Voor de vervaardiging van een roerend goed moet dus ‘een nieuw goed’ ontstaan. Dat begrip definieert het HvJ vervolgens in punt 22: “
Er is een nieuw goed wanneer door het werk van de opdrachtnemer een goed ontstaat waarvan de functie volgens de in het maatschappelijk verkeer gangbare opvattingen verschilt van de functie die de verstrekte materialen hadden.”
goedworden voortgebracht met een
andere functiedan de functie die de door de opdrachtgever verstrekte materialen hebben. Of negatief geformuleerd: werkzaamheden die het goed de eigen oude functie teruggeven zijn ontoereikend.
waarvan de functie volgens de in het maatschappelijk verkeer gangbare opvattingen verschilt van de functie die de verstrekte materialen (uiteengevallen boeken) hadden”(zie punt 3.3 van het eindarrest van de Hoge Raad)
.
dat er slechts sprake is van vervaardiging van een werk in roerende staat in de zin van artikel 5, lid 5, sub a, van de Zesde richtlijn indien een opdrachtnemer een nieuw goed maakt uit materialen die de opdrachtgever hem heeft verstrekt en dat er een nieuw goed is wanneer door het werk van de opdrachtnemer een goed ontstaat waarvan de functie volgens de in het maatschappelijk verkeer gangbare opvattingen verschilt van de functie die de verstrekte materialen hadden.
en kan hun africhting, die, als deze hen geschikt maakt voor een specifiek gebruik, in de lijn van een biologisch proces ligt, niet worden beschouwd als de vervaardiging door een opdrachtnemer, uit materialen, van een goed dat tevoren niet bestond.
een nieuwe functie van hetzelfde goed,
die geenszins verband houdt met de “materialen” die daarvóór aan de trainer zijn verstrekt. Derhalve kan niet worden aangenomen dat er na afloop van welke training dan ook, een nieuw paard is "vervaardigd”.” [25]
roerende goederen, heeft het HvJ meer recent, in het arrest van 12 juli 2012, J.J. Komen en Zonen Beheer Heerhugowaard BV, C-326/11, ECLI:EU:C:2012:461, BNB 2012/289 m.nt. van Zadelhoff, NTFR 2012/1838 m.nt. Sanders (hierna: arrest Komen), overwogen dat wil sprake zijn van de vervaardiging van een
onroerend goed, veelal sloopwerkzaamheden dienen plaats te vinden:
roerendgoed zonder een functiewijziging. Een functiewijzing is voor een
roerendgoed een conditio sine qua non. [30] Aan de hand van dit criterium dient in mijn visie de onderhavige zaak te worden beoordeeld. Ik kom daar later op terug.
onroerende goederen [31] ). Hoewel de rechtspraak over onroerende goederen in mijn visie niet van belang is voor de beslechting van het onderhavige geschil, zal ik deze toch behandelen, omdat het Hof zich bij de beoordeling van het onderhavige geschil op die nationale rechtspraak baseert.
dat nog niet in dat verkeer aanwezig wasdoch ook in de gevallen waarin een reeds in het maatschappelijk verkeer aanwezig goed door bepaalde handelingen
een andere betekenis in dat verkeer krijgt;”
Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft immers in zijn arrest van 14 mei 1985, zaak 139/84, BNB 1985/335BNB 1985/335* (rechtsoverweging 20), geoordeeld dat men het woord “vervaardigd” enkel kan uitleggen door met het spraakgebruik te rade te gaan en dat volgens het spraakgebruik vervaardiging inhoudt het voortbrengen van een goed dat tevoren niet bestond.Van een verbouwing en splitsing van een bestaand pand als in 's Hofs uitspraak omschreven kan niet worden gezegd dat zij
een zo ingrijpende wijzigingvan het pand inhielden dat daardoor een goed is voortgebracht dat te voren niet bestond. (…).”
“het voortbrengen van een goed dat tevoren niet bestond”en dat voor de beoordeling of een onroerend goed is vervaardigd, niet wordt aangesloten bij de in de punten 21 en 22 gegeven definities van ‘vervaardigen van een werk in roerende staat’ en ‘nieuw goed’. Ik acht dat niet onbegrijpelijk. Gelet op de bijzondere kenmerken van onroerende goederen binnen de categorie lichamelijke zaken, meen ik dat een criterium dat het HvJ heeft gegeven voor roerende goederen niet één-op-één hoeft te worden toegepast op onroerende goederen. Ik sluit me aan bij de woorden van Nieuwenhuizen:
“Criteria zijn leuk. Maar criteria die zijn afgeleid van een boek kunnen niet zomaar worden toegepast op een paard, of … op een gebouw.” [34]
onroerende goederenbaseert op het arrest Van Dijk’s Boekhuis, is de uitwerking van dat arrest voor onroerende goederen en roerende goederen verschillend. Ik kom hierop nog terug.
uiterlijkbij de restauratie en reconstructie goeddeels ongewijzigd is gehandhaafd, laten de hiervoor (…) weergegeven feiten geen andere slotsom toe dan dat de gedurende het naheffingstijdvak in opdracht van belanghebbende uitgevoerde werkzaamheden
niet een goed hebben voortgebracht, dat tevoren niet bestond.(…).” [35]
Gelijk volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 26 april 1989, BNB 1989/172, vormt een ingrijpende wijziging in de aanwendingsmogelijkheden van een onroerend goed een omstandigheid die van belang kan zijn voor de beantwoording van de vraag of een goed is voortgebracht dat tevoren niet bestond. Het tegendeel valt niet te lezen in de door het Hof genoemde arresten van de Hoge Raad. Met name kan uit het arrest van 17 juni 1987 in dit verband niet meer worden afgeleid dan dat een verandering in de aanwendingsmogelijkheden van het onroerend goed bij de beantwoording van genoemde vraag geenszins doorslaggevend behoeft te zijn.” [37]
hetzij vaneen ingrijpende wijziging van de aanwendingsmogelijkheden
hetzijvan een ingrijpende wijziging in het uiterlijk en de inrichting van (in dit geval) het landschap. Ik citeer en cursiveer:
hetzij in de overige aanwendingsmogelijkheden van het goed, hetzij in het uiterlijk en de inrichting van het landschap een ingrijpende wijziging is gebracht.”
Met betrekking tot onroerende zakenbetekent dit – uitgaande van het spraakgebruik, zoals het Hof van Justitie in bedoeld arrest als maatstaf voorhoudt – dat slechts sprake is van vervaardiging van een goed, indien door de werkzaamheden aan de onroerende zaak
in wezen nieuwbouwheeft plaatsgevonden. Door voor de beantwoording van de vraag of bij belanghebbende sprake was van vervaardiging in de zin van artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet beslissend te achten of het pand al dan niet is te vereenzelvigen met het pand zoals dat bestond voor de verbouwing, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. 's Hofs uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. (…)
‘Het vervaardigingscriterium in de btw’,NTFR-Beschouwingen 2011/46; S. van Kreijl,
‘Vastgoed in de btw? Geen flauw idee…’,MBB 2012/02; de aantekening van B.G.A. Heijen bij dit arrest, FED 2011/27 en W.A.P. Nieuwehuizen,
‘Over boeken, paarden en dus … over nieuwe kinderdagverblijven?’, NTFR 2011/833. Voor een meer volledig overzicht van de literatuur over dit onderwerp verwijs ik naar onderdeel 5.2.8 en verder van de conclusie van A-G Van Hilten van 9 juli 2012, nr. 11/00701, ECLI:NL:PHR:2013:BX6640, BNB 2013/111.
onroerende goederen. Voor roerende goederen is mijns inziens de invulling die het HvJ in het arrest Van Dijk’s Boekhuis heeft gegeven aan ‘het voortbrengen van een goed dat tevoren niet bestond’ nog steeds leidend. Om die reden volsta ik met een verwijzing naar de in punt 5.5.12 genoemde literatuur.
6.Terug naar het geschil
zondereen functiewijziging een nieuwe zaak kan worden vervaardigd.
gelet op het gebruik dat van het goed kan worden gemaakt, te beoordelen of er een nieuw goed is.”
ook al worden beide velden gebruikt voor dezelfde activiteit, te weten hockey. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van hof Amsterdam geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en laat diens oordeel in stand.
“dat het (…) gaat om, zelfs voor een leek waarneembare, zodanige ernstige vervormingen van de voet, dat het gebruik van reguliere schoenen niet mogelijk is.”en voorts:
“dat de confectieschoen daadwerkelijk ingrijpend wordt aangepast en na de aanpassingen niet meer voor een persoon met gezonde voeten te gebruiken is.”Hoewel, zoals ik eerder heb vermeld, een verwijzingshof zich nader zal moeten buigen over de feiten, ga ik in het navolgende vooralsnog uit van de juistheid van deze door het Hof vastgestelde feiten.
zieke voetop een zodanige wijze dat (pijnvrij) lopen op de zieke voet mogelijk is en de orthopedische aandoening aan de voet niet verder verergert.