5.6. Uit deze overweging van de rechtbank kan worden afgeleid dat de rechtbank de verdachte niet heeft vrijgesproken van de verlengde invoer van de cocaïne die zich in container [003] (container 2) zou hebben bevonden, zoals het hof in de hiervoor onder 5.2. weergegeven passage van het bestreden arrest - kennelijk abusievelijk - heeft overwogen. De rechtbank heeft vastgesteld dat, zo er al verdovende middelen uit een container zijn gehaald, dit container 2 moet zijn geweest die op 15 mei 2013 is binnengekomen en niet container 1, die op 8 mei 2013 is binnengekomen.
Daarmee komt de redenering die ten grondslag ligt aan het middel, namelijk dat het hof een vrijspraak van een onderdeel van de tenlastelegging redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring van een ander onderdeel van de tenlastelegging, en dus de presumptie van onschuld heeft geschonden, in de lucht te hangen. Die redenering berust dus op een verkeerde lezing van het arrest, hoewel kan worden toegegeven dat het hof voor deze verkeerde lezing zelf aanleiding heeft gegeven. Uit het vervolg van de overweging van het hof valt echter voldoende duidelijk op te maken dat het hof de gedachtegang van de rechtbank, zoals hiervoor onder 5.5. aangehaald heeft gevolgd.
Dan resteert de vraag of het hof feiten en omstandigheden die betrekking hebben op container 1 en container 2 waarvoor de verdachte respectievelijk is vrijgesproken of niet is veroordeeld, bij zijn oordeel over een ander strafbaar feit mag betrekken, zonder de presumptie van onschuld te schenden.
5.7. De onschuldpresumptie houdt, kort gezegd, in de eerste plaats in dat eenieder voorafgaand aan het op wettige wijze vaststellen van zijn of haar schuld niet als schuldig mag worden aangemerkt. Daarnaast strekt de presumptie van onschuld ertoe dat degene die is vrijgesproken van een strafbaar feit, daarna niet op enige wijze mag worden behandeld als ware hij toch schuldig aan dat feit. In de uitspraak van de Grote Kamer van het EHRM, Allen t. Verenigd Koninkrijk van 12 juli 2013, waarop ook de steller van het middel zich beroept wordt dit in § 94 als volgt omschreven:
“However, in keeping with the need to ensure that the right guaranteed by Article 6 § 2 is practical and effective, the presumption of innocence also has another aspect. Its general aim, in this second aspect, is to protect individuals who have been acquitted of a criminal charge, or in respect of whom criminal proceedings have been discontinued, from being treated by public officials and authorities as though they are in fact guilty of the offence charged.”
5.8. Uit de overwegingen van het hof blijkt niet dat het enige vorm van schuld aan een strafbaar feit ten aanzien van container 2 heeft aangenomen. Het hof stelt slechts vast dat in container 2 zich kennelijk ‘iets’ heeft bevonden dat verhuld diende te worden. Nu de verdachte dus niet is ‘vrijgesproken’ van enig drugstransport dat met container 2 zou hebben plaatsgevonden, valt niet in te zien waarom het hof feiten en omstandigheden in de tenlastegelegde periode, waaronder ‘verdachte’ handelingen op en rondom 15 mei 2013 ten aanzien van container 2 niet mee zou mogen nemen bij de bewezenverklaring dat het opzet van de verdachte en zijn medeverdachten zowel gericht was op de verlengde invoer van cocaïne in container 3, [002], op 22 mei 2013 als op de voorbereidingshandelingen daartoe.
5.9. Ik ben dan ook van mening dat geen sprake is van een schending van de onschuldpresumptie zoals bedoeld in art. 6, tweede lid, EVRM. In zoverre faalt het middel.
5.10. Verder wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat de verdediging geen gelegenheid heeft gehad om verweer te voeren “tegen de invoer van cocaïne in “container 2”” omdat het hof in het arrest heeft bepaald dat het hoger beroep ten aanzien van feit 1 enkel betrekking heeft op de invoer van cocaïne op 22 mei 2013. Blijkens de pleitnota die is overgelegd ter terechtzitting van het hof heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de tapgesprekken waarop het hof zijn oordeel over de wetenschap van de verdachte heeft gebaseerd over legale onderwerpen gaan. Dat de raadsvrouw niet op de hoogte was van de mogelijkheid dat ook de tapgesprekken voorafgaand aan 21 mei 2013 door het hof redengevend konden worden geacht, is derhalve onaannemelijk. Ook in zoverre kan het middel niet tot cassatie leiden.
5.11. Het tweede middel faalt in al haar onderdelen.