Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende met redenen omkleed, heeft geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde diefstal.
- een ruit van die woning heeft vernield en
- een schuifpui van die woning heeft geforceerd/vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
Als verklaring [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1926, wonende te Zwolle, [a-straat 1] (blz. 988 tot en met 990):
Op 14 juli 2012 omstreeks 01.30 uur werd ik wakker van mijn deurbel. Ongeveer 10 minuten nadat ik wakker was geworden van de deurbel, hoorde ik glasgerinkel. Omstreeks 8.00 uur liep ik mijn woonkamer in. Ik zag dat de ruit in mijn woonkamer was vernield. Ik heb gelijk mijn zoon gebeld en deze is vervolgens gekomen. Deze zag iets later dat er geprobeerd is om via de schuifpui de woning te betreden. Dit is echter niet gelukt. Ik zag dat er wel een vijftal beschadigingen aan mijn schuifpui zaten. Dit was zowel links als rechts van de schuifpui.
Als verklaring van verdachte (blz. 1018 tot en met 1022):
[a-straat 1] te Zwolle.
V: Ik wil met je spreken over een inbraak in een woning in de Zwolse wijk Berkum
A: Ja, ik weet daar wel van.
V: Hoe is die inbraak gegaan?
A: Ik weet echt niet meer hoe we bij elkaar zijn gekomen. Ik kan mij herinneren dat we in de auto van [betrokkene 2] zaten. [betrokkene 2] reed, [betrokkene 3] zat naast hem en ik op de achterbank. Wij zagen een vrijstaand huis. Ik zag dat [betrokkene 2] stopte en ik hoorde dat hij tegen [betrokkene 3] zei: 'Kijk daar, bel daar maar aan'. [betrokkene 3] stapte uit en belde twee keer bij de voordeur van de woning aan. [betrokkene 3] kwam weer terug naar de auto en [betrokkene 2] reed een rondje. [betrokkene 2] reed terug naar de woning. Onderweg naar de betreffende woning zag [betrokkene 3] een steen liggen. [betrokkene 3] pakte een grote steen en stapte weer in de auto. [betrokkene 2] reed terug naar de woning. Daar aangekomen hoorde ik dat [betrokkene 3] riep: 'Stop'. Toen de auto stilstond zag ik dat [betrokkene 3] direct uitstapte. Ik zag dat hij de steen naar een zijraam van de woning gooide. Ik hoorde glasgerinkel. [betrokkene 3] stapte weer in de auto en we reden direct door. [betrokkene 2] reed terug en hij parkeerde de auto een stukje verderop.
We stapten alle drie uit en liepen in de richting van de woning. [betrokkene 3] zei tegen mij: 'Hè ga daar staan kijken of er iemand aan komt'. Ik stond op straat, maar ik kon redelijk goed zien wat [betrokkene 3] deed. Ik zag dat hij met een koevoet bij de schuifpui bezig ging. Ik zag dat hij ter hoogte van zijn buik met de koevoet bij de schuifpui aan het wrikken was. Ik zag dat het hem met lukte om de schuifpui open te krijgen. Ik zag dat er een
lamp bij de school aansprong. Ik riep: ‘Kom op jongen, we gaan’. Hierop zijn we naar de auto gerend.
V: [verdachte] jij hebt je toch wel degelijk beseft dat jullie op inbrekerspad waren?
A: Ja, ik dacht eerst dat zij alleen wilden kijken. Later besefte ik natuurlijk wel dat we in de woning wilden inbreken. Ik heb me laten meeslepen.
Als, verklaring van [betrokkene 3] (blz. 997 tot en met 1002):
Inbraak [a-straat 1] Zwolle.
V: [betrokkene 2] en [verdachte] hebben verklaard over een poging tot inbraak in de Zwolse wijk Berkum. Zij hebben daarbij ook verteld over jouw aandeel bij deze inbraak. Hoe is dat gegaan?
A: Ja ik kan mij dit herinneren. Het klopt dat ik daar samen met [betrokkene 2] en [verdachte] heb geprobeerd in te breken. We zaten met zijn drieën in de auto van [betrokkene 2]. Ik zat naast hem en [verdachte] op de achterbank. We reden de wijk Berkum in op zoek naar een geschikte woning om in te breken. Wij zagen een vrijstaande woning bij een school. Ik heb bij de woning aangebeld. Op mijn aanbellen werd niet gereageerd. We zijn toen eerst weer verder gereden. We wilden zeker weten dat er niemand thuis was. Ik weet wel dat ik langs een weggetje een kei heb gepakt. We zijn teruggegaan naar de woning. Ik heb de steen tegen een zijraam aangegooid met de bedoeling deze door te gooien. Ik dacht als ze dit niet horen zijn ze zeker niet thuis. Toen er geen reactie kwam heb ik met een breekijzer de schuifpui proberen open te breken. [verdachte] stond bij me in de tuin. Ik denk dat hij op 3 à 4 meter afstand stond. [betrokkene 2] stond ook in de tuin. Hij stond direct naast mij. Plotseling ging er een lamp branden bij een school aan de overkant van de weg. Ik hoorde dat [verdachte] zei: 'Mensen, mensen we moeten weg'. We zijn toen naar de auto gerend en weggereden.
Als verklaring van [betrokkene 2] (blz. 1012 tot en met 1014):
We zijn vandaag met je rondgereden door Zwolle en Kampen. In Zwolle heb je ons een woning aan de [a-straat 1] aangewezen waar jullie wilden inbreken. Kun je nog eens vertellen hoe dat in zijn werk ging?
A: We waren gewoon buiten. We zaten in mijn auto. Toen waren we een stukje rondgereden en keken naar een huis.
V: wat bedoel je daarmee?
A: We wilden buit maken.
V : En toen?
A: We reden toen langs die woning. Een van ons zei: ‘Daar dan?’. Volgens mij was ik dat maar ben ik niet zeker van. We zijn gestopt op de plek die ik vanmiddag heb aangewezen. Toen belde [betrokkene 3] aan.
V. En toen?
A: Ik zag dat hij naar de voorzijde van dat huis liep en aanbelde. Ik zag dat hij toen terugliep naar de auto. Toen is hij in de auto gestapt en hebben we een rondje gereden. Toen zijn we alle drie uitgestapt en liepen we een stukje in de richting van dat huis. Ik stelde voor om zelf bij de auto te blijven, zodat we snel weg konden als dat nodig mocht zijn. Ik stond een paar meter bij de auto vandaan. [betrokkene 3] en [verdachte] zijn toen naar dat huis gelopen. Toen hoorde ik een telefoon. Ik heb toen iets geroepen of ik heb getoeterd. Toen kwamen [betrokkene 3] en [verdachte] aangerend. We zijn toen in de auto gestapt en zijn weggereden. Het schiet mij nu wel te binnen dat [betrokkene 3] wel had gezegd dat hij de deur bijna open had”.