Conclusie
middelklaagt dat het hof de in het politieverhoor afgelegde verklaring van de verdachte voor het bewijs heeft gebruikt terwijl verzoeker voorafgaand aan dat politieverhoor niet is gewezen op het recht tot raadpleging van een advocaat.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak staat centraal of de verdachte voorafgaand aan zijn politieverhoor is gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen, zoals vereist onder de toen geldende Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor. De verdachte werd gehoord op uitnodiging, niet in hechtenis, omtrent een vernieling die op 21 augustus 2014 plaatsvond. De verdediging voerde aan dat de politie niet had voldaan aan de verplichting om de verdachte te wijzen op zijn recht op rechtsbijstand, en dat daardoor de verklaring uitgesloten moest worden van het bewijs.
Het hof oordeelde echter dat uit het proces-verbaal bleek dat de verdachte bij aanvang van het verhoor werd gevraagd of hij gebruik had gemaakt van zijn recht op advocaat, en concludeerde dat hij vooraf was gewezen op dat recht. Er waren geen feiten of omstandigheden die een ander oordeel rechtvaardigden, ook niet gezien de vermeende verstandelijke beperking van de verdachte. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het beroep af, mede gelet op het arrest van het EHRM van 13 september 2016 (Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijk).
De verdachte is door het hof veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf wegens vernieling, en de civiele vordering tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om het arrest te vernietigen en bevestigt dat het Salduz-verweer faalt omdat de verdachte adequaat is gewezen op zijn rechten voorafgaand aan het verhoor.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest bevestigd; het Salduz-verweer faalt.